Herman – kort verhaal

(Foto Dirk-Jan Gjeltema in PZC)

Ze lieten hem altijd buiten wachten. Daar was hij na al die jaren aan gewend geraakt, maar vanavond viel het wachten hem zwaar. Het was ijzig koud en dit keer had hij ook Herman mee moeten zeulen. Hij probeerde voorzichtig zijn armen los te schudden zonder hem te laten vallen.
Hij keek de brede, donkere laan in; een rijtje statige huizen en een stuk of drie straatlantaarns op grote afstand van elkaar langs een met riet begroeide slootrand. Winternevel steeg op tussen verre bomen. Dit moest de rand van de stad zijn. De weg liep het lege duister in.Aan de overkant tekenden zich de schimmige contouren van verduisterde villa’s af.
Hij wachtte nooit voor zulke deftige huizen en dat hij Herman mee moest nemen, was ook nieuw. De gordijnen in het huis waren gesloten. Door de bruine stof viel een klein beetje licht de tuin in. Boven de voordeur brandde een lampje, dat een zwak schijnsel wierp op een smalle brug over de sloot. De planken van het bruggetje glinsterden van de rijp. Hij mocht niet vergeten haar daar straks op te wijzen. ‘Pas op, glad.’
Het was niet de bedoeling dat hij zou aanbellen. ‘Wacht maar op straat. Je hoeft de brug niet over te steken. Dat doe ik wel.’
Een rilling trok over zijn rug en door zijn armen. Herman schoot van links naar rechts. Hij tilde hem hoog op en keek naar hem. ‘Rustig maar. Ga maar weer slapen.’
Het liefst zou hij hem even neerzetten en zichzelf warm slaan, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. De kou sloeg van de straatstenen en Herman was al zo vatbaar. Hij balanceerde de kooi op de brugleuning. Het glazen gevaarte helde over naar de sloot. Herman piepte en krabde met zijn nagels langs het glas.
Aan de zijmuur van het huis floepte het buitenlicht aan. Verborgen in een veel te ruime zwarte jas met de capuchon over haar hoofd getrokken naderde ze het bruggetje. Een reepje witte wolachtige stof stak onder haar jas uit. Het schijnsel van haar mobiele telefoon verlichtte enkele seconden haar wit gepoederde gezicht. Ze had een zonnebril op.
‘Pas op, de planken zijn glad,’ riep hij.
Ze stond al naast hem.
‘Ik wist niet dat je kaal was. Dat stond niet in je mail.’
‘Is het erg?’
Ze trok even een pruilmondje. ‘Ik regel wel een pruik ofzo.’
Ze schoof haar zonnebril een stukje omhoog en bekeek zijn veterschoenen, bruine corduroybroek en op de vouwen gescheurde leren jack.’
‘En een kostuum.’
Hij hield de kooi omhoog. ‘Dit is Herman.’
Ze wierp er een snelle blik op. ‘Dat zal wel voldoen.’
‘Voldoen voor wat?’
‘We gaan die kant uit.’ Ze begon te lopen in de richting van de witte duisternis, waar de laaghangende winternevel zich als spinrag om de zwarte bomen wond.
‘Net een sprookje,’ zei hij
Ze knikte. ‘Precies. Dat is het.’
Het verbaasde hem hoe snel ze vooruitkwam op die hooggehakte zilveren laarzen. Ze vergrootte haar voorsprong telkens als hij even stilstond om voor een betere verdeling van het gewicht de kooi over te pakken. ‘Niet zo hard.’
Ze draaide zich om maar bleef doorlopen, achteruit. Het leek alsof er licht onder haar capuchon vandaan kwam. Ze trok het ding verder en strakker om haar hoofd en bleef achteruit doorlopen op die hakken van d’r.
Hij dribbelde in een sukkeldrafje achter haar aan. De kooi begon te hellen. Herman gleed hoog gillend in een hoek. Met zijn dijen probeerde hij de val van de kooi te breken, zijn knieën bonkten op de klinkers. In een paar stappen was ze bij hem en tilde de kooi van zijn knieën. ‘We dragen hem samen,’ zei ze.
Het corduroy op zijn rechterknie was gescheurd. ‘Ik wil het toch eerst over de prijs hebben.’
‘Met het geld komt het goed. Kom, we zijn al laat.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik wil een vooruitbetaling. Ik heb extra onkosten deze keer. Herman is extra. Dat weet je toch?’
‘We zijn er bijna.’ Er kwam echt getwinkel onder haar capuchon vandaan. Lichtsterretjes ketsten van haar donkere zonnebril. Nou ja, hij had het gekker meegemaakt.
Mario zou morgen weer op hem mopperen dat hij ‘langs het randje’ liep. Dat hij toch echt van tevoren meer informatie en garanties moest vragen en vooral meer geld. ‘Je moet niet overal blind instappen, honey,’ zou Mario zeggen. En hij zou lachend antwoorden: ‘Dat is mijn werk, dat is nou precies wat ik doe, Jo, langs het randje lopen.’ Vervolgens zou Mario er weer over beginnen dat het erom draaide om in alle omstandigheden een heer te blijven en dat het allemaal beter geregeld was, toen hij zelf nog actief in de business zat; eerst een intake en kennismaking en duidelijke afspraken over de prijs en de daarvoor te leveren diensten.
‘Ik zit toch in een andere tak van de sport? Bij mij draait het om de ‘adventure’ en niet om de ‘looks’. Weet je wel?’
‘Vraag dan op zijn minst wat haar bedoeling is. Voordat je het weet doe je uit onwetendheid iets ongepast.’
Mario had makkelijk praten. Die was vroeger gevraagd voor zakendiners en cocktailparty’s, waar hij alleen maar een aantrekkelijke, representatieve heer hoefde te zijn, die geleerd had met welk bestek hij wat moest eten. Maar hij kon zich geen intake, afspraken en contract veroorloven. Hij moest blij zijn met elke vraag.
Hij wreef over zijn knieën. ‘Wat is eigenlijk je bedoeling?’ vroeg hij.
Ze duwde de kooi tegen zijn buik. ‘Is-tie wel tam?’

De sloot waar ze langsliepen verbreedde zich tot een vaart. Bij een oude machinefabriek hield ze stil. Met haar rug duwde de vrouw de stalen deur open en samen manoeuvreerden ze de kooi naar binnen. In een kantoortje direct links van de deur, dat omgebouwd was tot een garderobe annex kleedkamer, zetten ze de kooi op de grond.
Ze opende een kist en wierp hem een groen vilten hoedje en bijpassend jasje toe. Hij hurkte naast Herman en luisterde naar de geluiden die vanachter een volgende stalen deur opklonken: mensenstemmen, gelach en loeiharde hip hop. De vrouw stond voor hem, handen op haar heupen in een lange witte jurk, afgezet met bont. Op haar hoofd een volumineuze, witte bontmuts versierd met knipperende plastic sneeuwkristallen. Ze had een te brede mond voor haar lange gezicht en ook haar neus was plat en breed, maar met die lichtgrijze ogen waar het helle tl-licht in weerkaatste, had ze toch iets moois
Ze zuchtte. ‘Duurt het nog lang?’
‘Herman heeft tijd nodig,’ zei hij. ‘Hij moet acclimatiseren. Ga jij maar vast.’
Kon zij nu eens niet even op hem wachten?
‘We gaan samen naar binnen. Dat is de afspraak. Wat zeg ik, dat is je opdracht: samen is je opdracht.’ Ze tikte met de punt van haar zilveren laars tegen zijn buiktasje, waar hij haar voorschot had opgeborgen.
Hij kwam moeizaam overeind, zette Herman op zijn schouder en volgde haar de fabriekshal in. Wonderlijk uitgedoste mensen met een glas in de hand schreeuwden elkaar in het oor, strakke lichtbanen in felle kleuren flitsten door de ruimte.
‘Mijn vriend,’ stelde de vrouw hem voor. Hij praatte over zijn boekhoudkundige werk, zoals de vrouw het hem had uitgelegd. De vrouw straalde. Herman en hij voldeden.
Ze vormden een team met Tiny van de inkoop en haar corpulente man die hem in het oor riep dat ze veel plezier gingen hebben. ‘Niemand is grappiger dan mijn Tiny.’
De teams stelden zich op bij de startstreep en keken gespannen naar de met klimop begroeide torens. Eenmaal boven op de kantelen zou de afdaling beginnen naar donkere kelders en het doolhof daarachter. Net toen hij zich begon af te vragen van welk materiaal het kasteel gebouwd was en of dat wel stevig genoeg was, klonk er een startschot. Luid gejoel brak los. Plotseling ging alles heel snel. Hij voelde hoe Herman onrustig aan zijn oorlel begon te knabbelen en een duik maakte naar de kraag van zijn jasje.
Herman had nergens schuld aan. Hij was het, die zijn focus verloor, zich niet langer kon oriënteren en onhandige manoeuvres begon te maken. En Tiny had schuld natuurlijk. Ineens waren daar haar rood gestifte lippen op een paar centimeter van zijn wang. ‘Ben jij dan mijn betoverde prins?’ riep ze met overslaande stem vlakbij zijn oor. Herman klauwde zich vast in zijn nek. Tiny’s hand zwaaide door de lucht. Een hoog gegil ontsnapte aan het beestje, toen Tiny hem stevig vastgreep en Herman in haar hand door de lucht zweefde. ‘Of ben je mijn witte paard en rijd je mij naar het kasteel?’ Maar Herman weigerde als een volbloed hengst, hoezeer Tiny hem ook met haar dijen aanspoorde. Onvergeeflijk zou Mario zeggen. Alles wat daarna kwam, was ongepast en onvergeeflijk. Flitsende tandjes, gegil, gelach en hij en Herman op de betonnen fabrieksvloer tussen de benen door. Zijn kapotte knie schrijnde, alles in hem schrijnde daar op die betonnen vloer terwijl hij verder kroop tot de vrouw hem mee trok naar de loungebar in de voormalige vergaderzaal van de fabriek en hij in de verte Herman door een opening in de muur zag verdwijnen.

Ze zaten aan een tafeltje waarop een met gouden sterren bedrukt papieren tafelkleedje lag. ‘Tiny is soms een beetje over ‘the top’,’ zei de vrouw. ‘Meestal kun je vreselijk met haar lachen, maar als ze dronken is, dan wordt ze te gezellig.’
‘Je zit op je onderrug,’ zei hij. ‘Dat is slecht voor je rug.’
De vrouw keek hem fel aan. ‘Wel heel zielig voor Tiny dat ze nu eerst een tetanusprik moet halen, ze is juist zo gek op spelletjes. Het zal wel gehecht moeten worden.’
Hij nam een grote slok wijn. Na zijn tweede glas was hij aan de wrange smaak gewend. Hij had liever een biertje gehad.
Diep in het gebouw dreunde een beat; gegil en gelach golfden af en aan, werden af en toe volledig verzwolgen door zware bassen. Ergens zwaaide een deur open, het geluid zwol aan, mannen schreeuwden iets onverstaanbaar, gelach op de gangen. Er werd klaterend gepist.
De vrouw begon zachtjes te knikken. De twinkelende sneeuwkristallen aan de rand van haar witte bontmuts tekenden lichtslangetjes voor zijn ogen. ‘Ik haat bedrijfsfeestjes,’ zei ze. ‘Vooral die met een thema. Grimm – (ig).’ Ze tekende de haakjes om ‘ig’ met haar wijsvingers in de lucht. ‘Nou dan weet je het wel.’
Ze zuchtte en wenkte de barman, die de glazen tot de rand vulde. Ze nam in een snel tempo kleine slokjes van haar wijn.
Hij stond op. ‘Ik ga toch even bij de kooi kijken.’
‘Hij is er heus niet uit zichzelf weer in geklommen.’
In het kantoortje zat hij een tijdje naast de kooi op de grond en woelde met zijn hand door het zaagsel. Toen hij met de kooi terugliep naar het tafeltje, was zij aan haar vierde glas begonnen. Naast zijn nog onaangeroerde derde glas had ze een nieuwe laten zetten. Ze tikte haar glas ertegen. ‘De laatste, echt de laatste.’
Hij liet zijn hand in de kooi zakken.
‘Sorry, heel erg sorry. Ik vind het zo zielig voor jou en Herman. Waren jullie al lang samen?’ Haar mondhoeken trilden.
‘Bijna vier jaar.’
‘Is dat niet lang voor een …rat?’
‘Hoogbejaard was-tie, hoogbejaard.’
De vrouw tekende met haar wijsvinger de gouden sterren op het tafelkleed na. ‘Een heel leven, een heel rattenleven samen. Jouw Herman heeft het langer met je uitgehouden dan die van mij.’
Haar witte bontmuts was tot ver onder haar wenkbrauwen gezakt. Zoals ze naar hem tuurde vanonder de bontrand van haar muts met een snor van rode wijn op haar bovenlip, was ze net een kind.
‘Had jij ook een rat dan?’
Langzaam zakte haar hoofd naar de tafel. ‘Alles, echt alles heb ik fout gedaan.’ Haar stem klonk gesmoord op van het papieren tafelkleed. ‘Alles. Tiny zat goed als Assepoester. En jij ook, Rattenvanger. Maar ik ben niet eens van de gebroeders Grimm. De Sneeuwkoningin is helemaal niet van Grimm, die sprookjes zijn zo gruwelijk, ik kan daar helemaal niet tegen.’
Met een ruk kwam ze overeind. ‘Net zo gevoelig als jouw Herman. Die Herman van jou, die had het goed bekeken. Die wachtte niet af. Die ging ervan door. Die deed geen dingen die niet goed voelden. Nou voor mij voelt het ook allemaal niet goed. Mijn hele leven voelt niet goed.’
Haar hoofd wiebelde alsof ze de gedachten in haar hoofd los wilde schudden. Soms huilde ze een beetje. Haar man voelde niet goed, haar kinderen, haar werk en die afschuwelijke feestjes van de zaak. Hij probeerde de vrouw overeind te trekken ‘Kom, ik breng je thuis.’ Ze tilde haar hoofd naar hem op, maar gaf niet mee.
‘In dat geval wil ik graag de rest afrekenen,’ zei hij. ‘Herman en ik hebben onze uren gemaakt.’
Ze schoot overeind. ‘O, meneer wil afrekenen. Meneer denkt dat hij nog recht heeft op een vergoeding na deze wanprestatie. Jij, jij…,’ ze porde met haar vinger in zijn buik, ‘jij zou mij het voorschot terug moeten betalen.’
Weggaan. Oppassen voor een drama. Anders is het einde zoek, neem dat van mij aan, zou Mario zeggen. Hij bukte zich naar de kooi. Achter zijn rug hoorde hij de vrouw gesmoord snikken. Zonder naar haar te kijken begon hij naar de deur te lopen.
‘Wacht,’ riep ze. Ze struikelde achter hem aan. ‘Wacht nou even. Hier.’ De vrouw begon in haar tas te graaien. ‘Ik vind het echt heel erg van Herman. Sorry. Dit kan het verlies van dat beest niet compenseren, natuurlijk.’ Zonder te tellen reikte ze hem een stapeltje bankbiljetten aan.
Hij sloot zijn hand er stevig omheen. ‘Ik had Herman hier niet in moeten betrekken.’
Hij duwde de stalen deur open en ademde de nachtlucht diep in. Het vroor. Op de vaart lag een dun laagje ijs.
‘Alles kwijt. Man kwijt, kinderen weg, terwijl ik maar zat te wachten op al het moois dat zou beginnen; gewoon in slaap gesukkeld was ik. Mijn leven lang.’ De vrouw strompelde achter hem aan langs de vaart, die smaller werd, naarmate ze dichter bij de stad kwamen.
‘Ik ben gebroken,’ riep de vrouw.
‘Welnee, je bent hooguit een beetje verkreukeld.’ Hij lachte geforceerd en keek over zijn schouder. De vrouw stond te zwaaien op haar benen aan de waterkant. Hij liep terug en schoof zijn arm onder haar oksels door. Twee gedoofde sneeuwkristallen aan haar bontmuts sprongen weer knipperend aan.
‘Doornroosje, ik ben gewoon Doornroosje,’ mompelde ze.
‘O nou ben je ineens weer Doornroosje.’
‘Ik had net in die bar zo’n helder inzicht. In een klap wist ik dat ik het allemaal verkeerd heb gedaan.’
‘Doornroosje. Deed die iets verkeerd dan?’
‘Je wacht en wacht, Je denkt: straks gaat het beginnen, straks ga ik de dingen doen die ik graag doe, straks begint het echte leven en dan blijkt ineens dat je te lang hebt gewacht.’
Hij knikte. Van wachten tot het gaat beginnen, daar wist hij alles van. Soms duurde dat lang inderdaad, maar dat hoorde erbij. Daar was niks mis mee.
‘Ik ben veel te laat. Veel te laat met alles.’ Wolkjes adem ontsnapten aan haar schemerige profiel. Hij zweeg. In de afgelopen jaren had hij geleerd dat als hij lang moest wachten, er twee mogelijkheden waren: hij was zelf veel te vroeg of de ander was te laat. Je bent in ieder geval zelf nooit te laat als je moet wachten. Zo dacht hij erover.
‘Echt mijn gevoel volgen, geen dingen doen die niet goed voelen. Mijn eigen leven leiden. Maar ja, eerst nog even dit en nog even dat.’
Met een ruk draaide ze haar hoofd naar hem toe. ‘Te lang gewacht. Honderd jaar geslapen. Mijn leven is voorbij. En ik ben niet jong gebleven hè, zoals Doornroosje? Dat kind had, toen ze wakker werd, nog een heel leven voor zich met mooie prinsen en zo. Ik ben in de tussentijd oud en lelijk geworden.’
Voordat hij iets kon zeggen, boog ze zich voorover en kotste. Samen keken ze naar de kleurige brij, die traag door het vliezige ijs in de vaart zakte.
Hij liet haar los en wandelde verder in de geluidloze winternevel boven het bevroren water. ‘Straks ben ik echt alles kwijt,’ jammerde de vrouw achter hem.
‘Hou eens op zeg. Hou nou eindelijk eens op,’ schreeuwde hij. ‘Wie is hier iets kwijt? Jij weet niet wat het is om iets kwijt te raken waar je heel veel van houdt. Bij jou voelt toch niks goed? Dan kan je het maar beter kwijt zijn. Je bent een verwende, ontevreden trut. Weet je waar jij om loopt te jammeren? Om wat je nog niet hebt gekregen…en misschien wel nooit krijgt.’
Ze stond op enige afstand in de ijskoude nevel met een gruwelijk vertrokken gezicht, huilend met wijd open mond en neerhangende mondhoeken. Afzichtelijk, een heks. Ze liep op hem af en kwam vlak voor hem staan. Ze schoof haar muts naar achteren en bestudeerde zijn gezicht alsof ze hem voor het eerst zag. ‘Wie ben jij eigenlijk? Hoe ben jij in godsnaam bij Huur een heer terecht gekomen?’
Hij liep verder langs het water. Bij een scherpe bocht, daar waar de vaart zich verdichtte tot een sloot, bleef hij staan en keek aandachtig naar een zwaan die met stotende bewegingen van zijn borst het dunne ijs brak om een vaargeul vrij te maken voor zijn vrouwtje; wat meerkoetjes volgden in hun kielzog. Toen de zwaan wegdraaide en tussen de losgebroken ijsscherven terug zwom, klonk er een zacht rinkelend geluid.
De vrouw kwam naast hem staan en schoof haar hand onder zijn arm. ‘Hoor,’ zei ze, ‘net brekend glas.’ Hij knikte, maar dat was het niet. Geen brekend glas, maar een ander alledaags geluid.
Een tijdlang keken ze naar de zwaan die als een ijsbreker door de sloot zwoegde en vaargeulen vrijmaakte voor de watervogels. ‘Zo was Herman ook,’ zei hij. ‘Hij hield altijd rekening met een ander.’
Bij de brug voor haar huis liet de vrouw zijn arm los. ‘Nu weet ik nog altijd niet hoe jij in deze business verzeild bent geraakt. Wil je niet even binnenkomen voor een kopje koffie?’
Niet doen, hoorde hij Mario zeggen. Begeef je nooit op het privéterrein.
‘Koffie? Graag,’ zei hij. Het einde was allang zoek zou hij vanavond tegen Mario zeggen.
Hij stapte het bruggetje op. Even, heel even vergat hij Herman, toen een gelukzalig gevoel van opstijgen en vliegen zich van hem meester maakte op het moment dat zijn voeten hun grip verloren op de berijpte planken en zijn benen onder hem uitschoten. Traag landde hij op zijn rug, gleed door over de bevroren ondergrond en schoot onder de leuning van de brug door. Het ijs brak onder zijn gewicht.
De vrouw gilde: ‘Ach lieverd, ach lieverdje toch.’
Hij glimlachte.
Vlak voor de ijsschotsen zich boven zijn hoofd rinkelend hergroepeerden, wist hij het. Geen brekend glas, nee, het was het hoge tingelende geluid van die ijzertjes – die runnertjes – als ze op een lege gordijnrail tegen elkaar aan glijden.
Zo alledaags.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail