Baby Jane – kort verhaal

Mijn mam dwaalde door het leven als door een doolhof. Lukraak sloeg ze linksaf, rechtsaf en nog eens rechtsaf en verbaasde zich er telkens weer over dat er niets veranderde. Steeds waren er dezelfde uitzichtloze wegen met hagen of muren zo hoog dat het zicht op een andere wereld belemmerd werd. Ergens moest er toch iets zijn. Ergens moest er toch een spectaculair uitzicht zijn op al het andere, op iets wat er toe deed, op de bedoeling van alles.
Zo reisde ze van Eritrea naar Italië.
Mijn mam was een gelukszoeker, zeiden de mensen. Ze dwaalde door de wereld op zoek naar het geluk en ze was ongeduldig, zeiden de mensen. Maar ik denk dat mijn mam gewoon naar de uitgang zocht. Of misschien de ingang, het begin. Ja, het begin, zoals je zoekt naar het beginnetje van een in de war geraakte kluwen touw of van verkleefd plakband, voelend, pulkend, turend, om uiteindelijk een stukje los te kunnen trekken en ermee aan de slag te kunnen gaan.
En ze dwaalde verder van Italië naar Frankrijk naar Nederland. Haar kielzog groeide, bestond van meet af uit één vast onderdeel: haar telefoon. Later kwam ik daarbij en nog weer later Baby Jane. Baby Jane zorgde voor een wijziging in de volgorde van haar gevolg. Direct na haar geboorte schoof ik als vanzelfsprekend op naar de derde plaats. Het werd voortaan: telefoon, Baby Jane en ik. Misschien kwam het omdat Baby Jane altijd dichter bij mam was, omdat ze nog gedragen moest worden of voortgeduwd in een buggy. Misschien kwam het omdat Baby Jane schattig was. So cute met haar bijna zwarte altijd wat nattige ogen omlijst door giraffewimpers. So cute met haar krulletjes die zich gewillig in staartjes, vlechtjes, haarbanden lieten wikkelen. Misschien had het ermee te maken dat Baby Jane vrijwillig of onvrijwillig – dat kon ze zelf nog niet zeggen – de koers van mijn moeder volgde en zich nergens over verbaasde of zich juist overal over verbaasde en dus nergens bij stilstond omdat alles, werkelijk alles nieuw en vreemd voor haar was. Maar ik denk dat het vooral kwam, omdat Baby Jane appropriate was, zoals mijn mam zei. Baby Jane paste als een aantrekkelijk accessoire bij mijn mam.
Jongetjes zijn sowieso niet zo lang cute en staan overal bij stil, bij elk schroefje en veertje. Ik was in niets appropriate.
Ik ontdekte dat de wereld veranderde als je achteruit liep of zijwaarts als een krab of op je buik. Of op je rug. Vooral op je rug. Ik probeerde mam uit te leggen dat als je op je rug door de wereld ging, de aarde plat was en niks anders voorstelde dan een matrasje en dat wat zij zocht boven haar was; een wereld in wolken, vogels, vlinders, boomkruinen, vliegtuigen, hoogwerkers, balkonnetjes met mensen erop. Mijn mam had al teveel tijd op haar rug doorgebracht, zei ze en ‘kijk wat het me heeft opgeleverd.’
Eigenlijk was mijn mam Baby Jane in het groot. So cute met haar zwarte krullen, die zich gewillig in kleurrijke banden lieten wikkelen, met haar volle lippen, haar Nefertiti ogen, zwart omlijnd en versierd met lange wimpers. Alles was giraffe aan haar. Haar benen, haar gang, haar gratie, haar lange nek, haar aaibare huid. Misschien keek ze teveel op haar telefoon om te kunnen zien hoe zij zelf de wereld was in al haar schoonheid.
En ik liep vooral met mijn hoofd in mijn nek of stond stil. Het zou niet lang duren voordat mijn mam me uit het oog zou verliezen. De eerste keer dat ze mij kwijtraakte, bevond ik me op de grens tussen ‘cute’ en ‘a pain in the ass’.
Het was die keer in de winter dat het plotseling ijzig koud werd en mijn mam alleen maar knikte, kleren in een tas duwde en Baby Jane in de buggy zette.
Mijn mam legde haar wijsvinger onder mijn kin en dwong me haar aan te kijken. ‘Bij me blijven, Charly. Je moet mij altijd volgen. Hou de stang van de buggy maar vast.’
‘Je moet het koordje van zijn wantjes door de mouwen van zijn jas trekken. Dan verliest hij ze niet’, zei de vrouw die toekeek.
Mijn mam knikte. Eerst had de vrouw haar willen leren fietsen en toen zwemmen, maar iets in mams blik verraadde, dat ze niet langer de vrijetijdsbesteding wilde zijn van al die behulpzame vrouwen met teveel tijd en teveel erbarmen. Alles was te aan de vrouwen. Ze lachten te hard, te vaak met teveel tandvlees, ze droegen te fletse kleren, aten te bleek voedsel en hadden nooit, maar dan ook nooit zelf een afslag in hun leven genomen. Niet linksaf en niet rechtsaf, dat wist mijn mam zeker. Het waren praktische vrouwen die haar niet naar het geluk zouden leiden, niet naar het spectaculaire uitzicht en die niet wisten waar de uitgang of het begin was. Het waren vrouwen die zich niet eens konden voorstellen dat er überhaupt nog ‘iets’ was.
Mijn mam begon Baby Jane vast te gespen in de buggy. De vrouw pakte mijn wanten en deed het voor. Ze trok een want door de linkermouw van mijn jas. Mijn mam knikte nog eens, trok hem er weer uit en reeg het koordje door het lusje van mijn spijkerbroek. Dat lusje dat net boven mijn billen zat en waar ik zelf niet bij kon.
‘Maar zo struikelt hij over zijn wantjes als hij ze uittrekt. Dat koordje raakt verstrikt om zijn beentjes.’
‘Exactly,’ zei mijn mam. ‘So he won’t take them off.’
Mijn mam begon te lopen. Met haar rechterhand duwde ze Baby Jane in de buggy voor zich uit en met haar linkerhand hield ze haar telefoon tegen haar oor. Ik liet al snel de buggy los en sloot de rij.
We liepen over een brede laan. In de verte lag het station als een reuzeboeddha te rusten op de horizon. Mannen, vrouwen, kinderen, een optocht van bonte figuren bewoog van en naar het grote gebouw. Wij staken drukke straten over, moesten soms wachten bij het stoplicht. Mijn mam praatte onafgebroken in haar telefoon in een taal die ik niet kende. Het groene mannetje van het stoplicht sprong tevoorschijn. Mijn mam duwde Baby Jane de weg op en ik volgde haar. Ze verdween met Baby Jane en haar telefoon in de optocht. Vlak voor de schuinoplopende stoep aan de overkant van de weg viel het groene mannetje stil en kleurde rood. Het getik van mijn zolen stopte tegelijk met het tikken van de hakken van het mannetje. Ik stond daar onbeweeglijk met mijn hoofd in mijn nek vlak onder het stoplicht, half op de weg. Mijn mam draaide haar hoofd en riep mijn naam. Ik zwaaide naar haar en gebaarde met mijn handen naar het rode en groene mannetje van het stoplicht. Hoe mooi dat was. Hoe het verschoot van kleur en hoe je kon zien hoe er ineens beweging kwam in het mannetje.
Maar mijn mam heeft natuurlijk mijn zwaaiende handen niet kunnen zien. Hoger dan mijn heupen kon ik ze niet tillen door het koordje van mijn wanten aan mijn spijkerbroek. Hoe lang ik daar heb gestaan weet ik niet. Een man in een grijs kostuum heeft me als een verloren knuffel opgeraapt en meegenomen naar de bank waar hij werkte. Hij gaf me kleurpotloden en grote vellen papier uit de printer en begon te bellen. De man, het kantoor, het kopieerapparaat, de vellen papier, dat was weer een nieuwe, schitterende wereld.
Veel later toen hij mam aan de telefoon had gehad, gingen we naar het café naast het kantoor, waar we onder een plaid en in de straling van een terraskachel chocolademelk dronken en wachtten op mijn mam. Mijn tekeningen lagen in een rol samengehouden door een elastiek op het bankje naast de man.
‘He is adorable’, zei de man tegen mijn mam toen ze eindelijk voor ons tafeltje stond. Ze schudde haar hoofd en typte wat op haar telefoon.
‘He really is, he really is …hij noemde nog een woord dat ik niet snapte en dus ook weer vergat en daarna zei hij: ‘so cute.’ De man probeerde mijn mams blik te vangen. ‘Real cute,’ zei hij nog een keer met een lachje.
‘No a pain in the ass.’
Dat was de eerste keer dat ik die woorden hoorde en ik begreep het wel, want de man bleef maar tegen haar praten, soms opgetogen, dan weer boos en mijn mams ogen vonkten. Het was allemaal mijn schuld. A real pain in the ass was ik.
‘Hij moet leren volgen,’ zei mijn mam.
Volgen! Ineens wist ik wat de twee mannen deden die ik iedere ochtend door de straten had zien wandelen. Ze liepen achter elkaar en hielden ieder het uiteinde van een stok vast. De voorste man had een dun grijs vlechtje op zijn rug en de achterste man had mijn kleur en een goudkleurige pet op, die ik graag wilde hebben. Eerst had ik gedacht dat ze samen een zware stok tilden, maar toen we hen een keer inhaalden op straat, zag ik dat het een bezemsteel was. Mijn mam zou nu voor mij ook wel een bezemsteel kopen, die ik aan het uiteinde moest vasthouden. Misschien hoorde daar zo’n gouden pet bij.
‘Het is geen puppy,’ zei de man in het grijze pak.
‘We zijn onderweg, altijd onderweg en hij moet leren volgen.’ Ze liep het terras al af met Baby Jane op haar heup. Ik sloot de rij. De man draafde achter ons aan met de rol tekeningen in zijn hand. ‘If you need anything, please call me.’ Hij bukte zich naar mij en keek me akelig lang aan met zijn ijsblauwe ogen.
‘s Avonds zou mijn mam zeggen dat ze me niet kwijtgeraakt was, maar dat ik mezelf had zoekgemaakt.
Het verhaal van deze eerste keer zou mijn mam me telkens vertellen als ik mezelf had zoekgemaakt.

Een paar jaar later had ik mezelf zoek gemaakt in the Institute of Arts in Detroit en deze keer leek het alsof mijn mam geen moeite meer deed om me te vinden. Misschien kwam het omdat ik iets ergers was geworden dan a pain in the ass. Of misschien kwam het omdat Baby Jane op de kindermiddag in het museum niet in het papier had zitten knippen, maar in haar krullen. Misschien kwam het omdat ik onvindbaar was geworden door al die papieren bandages waarin ik mezelf had gewikkeld zoals bij het schilderij Nagasaki, waarop een volledig verbonden hoofd tussen vierkantjes, rondjes, kringeltjes, slangetjes was geschilderd.
Of misschien wilde ik niet meer gevonden worden. Ik wilde haar niet meer volgen op haar gehaaste tochten. Steeds als ik iets moois ontdekte, wilde ik het goed bekijken, uit elkaar halen en weer in elkaar zetten. Pas als ik iets uit elkaar had gehaald en op mijn eigen manier in elkaar had gezet, begreep ik het. Of ik moest het natekenen. Elk detail, elke kronkeling, elke beweging. Die tijd had mam niet.

‘Bel hem.’ Mijn mam plofte naast me op het bankje tegenover het schilderij Nagasaki en gaf me een kaartje met een naam en telefoonnummer.
‘Ik kan je niet blijven zoeken, Charly.’ Ze zuchtte.
Ik schaatste zittend met mijn voeten over de witte marmeren vloer.
Ze tikte op het kaartje. ‘Dit is de man die je toen heeft meegenomen naar de bank waar hij werkte.’
‘Waarom moet ik hem bellen?’
‘Hij wilde je helpen. Met geld en een opleiding of zo. Hij vond je ‘remarkable.’
Haar telefoon zoemde. ‘We moeten gaan,’ zei mijn mam. Ze stond op. ‘Die man heeft er verstand van en geld. Ze weten alles beter die Europeanen. A pain in the ass, die man.’  Ze typte wat op haar telefoon. ‘Maar ja, hij heeft geld.’
‘Waar zijn de tekeningen die ik bij die man had gemaakt?’ vroeg ik toen ik achter haar naar de uitgang liep.
‘Weggegooid. We kunnen alles toch niet meeslepen elke keer?’
Buiten draaide ze zich naar me om. ‘Bel hem.’ Ze gaf me haar telefoon.
We wandelden naar de kapperszaak, waar een verre nicht van mam nog iets probeerde te maken van de ravage in de krullen van Baby Jane. We liepen naast elkaar mijn mam en ik. Even had ze geen gevolg meer. We waren nu drie op een rij: ik naast mam met haar telefoon in mijn hand. Baby Jane zat in een grote kappersstoel op een extra kussen met een roze kapmantel om. Met haar zwarte nattige ogen keek ze me in de spiegel aan. Een beetje bang alsof ze alles wist, alsof ze wist over de andere weg die ik zou inslaan. Alsof ze wist dat ik de man zou bellen en naar hem toe zou gaan om te doen wat volgens mijn mam mijn natuur was. ‘Arts honey, you live it, you breathe it, you sleep it,’ had ze gezegd.
Baby Jane zat daar maar in de spiegel te kijken van mams telefoon in mijn hand naar mijn gezicht en weer terug, haar kleine lijfje verborgen onder de roze kapmantel. En ze was so cute. So appropriate en cute. Ik gaf de stoel waarop ze zat een zwaai en ze draaide rond en rond en rond en schaterde. Ze schaterde het uit en ik draaide haar rond.
Baby Jane sprong van de stoel, omklemde met beide armen mijn benen en keek naar mij op. Ik legde mijn hoofd in mijn nek. Samen keken we naar de plafondventilator. De propellerbladen zoefden neuriënd rond. We spreiden onze armen en cirkelden rond als de ventilator, neuriënd en zoemend, Baby Jane en ik. We zweefden boven de wereld en alles zag er anders uit.
Ik gaf mijn mam haar telefoon terug en ik zei niets. Tegen niemand. Het kaartje stopte ik in de achterzak van mijn spijkerbroek net onder het lusje van mijn riem, waar ooit het koordje van mijn wanten doorheen getrokken was.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail