Een onkreukbaar type – kort verhaal

(foto Adrie Storm – Mirador)
Je mocht een dodelijke blikseminslag nooit persoonlijk opvatten en zeker niet zien als een straf van God. Statistisch gezien was haar angst voor vloeken volkomen ongegrond. Er is geen samenhang tussen een vloek en de bliksem, laat staan dat er sprake is van een oorzakelijke verband. Ze wist het allemaal wel, maar toch was Anna als de dood voor de vloeken die zich de laatste tijd ophoopten op haar tong. Als ze haar mond zou openen voor al die godverdommes zou ze door de bliksem getroffen worden en hier als as neerdwarrelen op het bureau van dr. van Loon.
Ze bestudeerde zijn grijze achterhoofd. Op zijn kruin stond een plukje haar overeind. Hij had zijn bureaustoel tot voor de geopende metalen archiefkast gereden. Met zijn rug naar haar toe gedraaid, zocht hij tussen de mappen.
‘Verdomme, godverdomme,’ mompelde ze binnensmonds. Ze wilde hier niet zijn in deze tl-verlichte kamer met alleen een grijs metalen bureau en dito kast. Ze wilde alleen maar op bed liggen met Irma en haar knokige rug strelen tot Irma haar gespin staakte en met een venijnige tik van haar poot een einde maakte aan het geliefkoos.
Dr. van Loon draaide zich op zijn bureaustoel weg van de kast en peddelde met zijn lange benen de stoel terug naar het bureau, ordner in de hand.
‘Leuk dat je meedoet.’ Met een snel gebaar plakte hij een losgeschoten lok zilverkleurig haar terug op zijn voorhoofd. Hij trok zijn mondhoeken op. Eén tiende van een seconde, langer was het niet. ‘Iedereen is vies van statistiek. Sterker nog, op deze faculteit denken ze, dat ze het niet nodig hebben.’ Hij sloeg met een ferme klap op de perforator twee gaten in haar inschrijfformulier en stopte het in de ordner achter het tabblad met de letter A. Anraad, van. Of Anna. A’s genoeg. Ze schoof naar het puntje van haar stoel en stond al half.
‘Leuk dat je meedoet,’ zei hij weer. ‘Ik heb weleens wat van je gelezen. Je bent wel een beetje van het doemdenken, hè?’
Ze schuifelde naar de deur.
‘Mensen schrijven maar wat tegenwoordig. Onderbouwen met cijfers, ho maar! Ook hier op de universiteit. Dat noemt zich onderzoekers. Echt ongelooflijk. Het idee alleen al, dat een kwalitatief en kwantitatief onderzoek tot gelijkwaardige resultaten zou kunnen leiden. Ze zijn gek.’
Belletjes spuug belandden op zijn bureau. Zijn felle oogjes schoten achter zijn brillenglazen heen en weer. Met lange vingers duwde hij krachtig tegen de randen van de papieren in de ordner.
Straks gaat hij de randjes nog bijsnijden om er een mooie gelijke blok papier van te maken. Of papiertje voor papiertje nieuwe gaatjes perforeren, zodat alle blaadjes op de millimeter gelijk in de ordner passen.
Plotseling stond hij op en boog zich met uitgestoken hand over het bureau. ‘Rob. Rob van Loon. Maar ach, je kent me natuurlijk al.’
Anna snelde terug naar het bureau om zijn hand te schudden.
‘Jouw deelname had ik eerlijk gezegd niet verwacht.’ Zijn mondhoeken aarzelden. ‘Wat of wie heeft je over de streep getrokken?’
Mijn vader. Het moest van mijn vader. Maar dat kon ze moeilijk zeggen. Ze was geen twaalf meer. Zelfs Irma was de twaalf al gepasseerd.
Vlak voor zijn dood had haar vader er steeds meer op aangedrongen. ‘Beloof me dat je je ergens bij aansluit.’ Hij had zijn opgezette oogleden zo ver als hij kon geopend. ‘Anna, kijk me aan. Een groepje. Straks ben ik dood… Beloof me dat je ervoor zorgt dat je weer ergens bij kunt horen. Je zit daar maar in je eentje te schrijven in dat, dat… lege blok beton.’
‘Het is een oude school, pa.’
‘Je bent te oud voor dat anti-kraakgedoe, Anna. Echt ergens bij horen, een club…aansluiting zoeken. Beloof het me.’
Zoals haar vader er op het laatst over praatte, leek haar werk bijna incestueus, alsof ze dag in dag uit haar eigen zorgelijke gedachten zat te inhaleren als bedorven lucht, gretig maar met een vertrokken gezicht.

Ze had het haar vader beloofd. En ja, wat ze had met vloeken, had ze ook met het verbreken van beloftes. Zij bezat in ieder geval niet het heilig vuur van dr. van Loon om met cijfers de natie te redden. Eigenlijk hield ze niet van statistiek. Integendeel. Ze ging er van vloeken. Ze schreef liever volkomen onverantwoord en als door de duivel bezeten over mensen en hun gedoe. En daar kwam geen cijfer aan te pas.
‘Ik wil echt iets begrijpen van de standaarddeviatie en significantie waarover ik jaren geleden in mijn doctoraalscriptie kakelde op aanwijzing van een man die er werkelijk verstand van had,’ zei ze. Het was een leugentje om vaders bestwil.
Dr. van Loon trok zijn mondhoeken even op. ‘Als je niets van statistiek weet, kun je ook niet beoordelen of degene die jou helpt er iets van begrijpt,’ zei hij hoofdschuddend. ‘In het land der blinden is eenoog koning, nietwaar?’
‘En voor de borrel natuurlijk,’ zei ze. Na het lezen van elk hoofdstuk uit het statistiekboek, dikker dan de Bijbel, gevolgd door een strenge overhoring door deze man, begreep ze nu, zouden ze met zijn allen naar de kroeg gaan.
Ze was bijna bij de deur.
Hij stond op, knoopte zijn colbert dicht en achtervolgde haar. ‘Maar ego’s hè, hier, ego’s zo groot als het heelal.’ Een trits namen strooide hij over haar uit. Wanhopig probeerde ze zijn betoog te koppelen aan datgene wat ze wist over die personen, maar het ging te snel. Popper, Wittgenstein. Ze voelde het bloed naar haar wangen stijgen.
‘Schrijven is één ding, maar bewijzen een ander. Weet je hoe ik het noem, al die publicaties over dat zogenaamde onderzoek: journalistiek. Meer is het niet. Journalistiek. We interviewen een paar mensen en schrijven het een beetje leuk op en dan hebben we kennis vergaard? Je gelooft het zelf toch niet. Het mag geen naam hebben. Het is een mening. En een beetje leuk schrijven – ach dat is ook maar weinigen gegeven.’ Zijn rondschietende oogjes hielden stil bij haar gezicht.
Ze trok de deur open. De gang baadde in het zonlicht dat door de hoge ramen naar binnen viel. Hij bestudeerde haar, zoals ze daar stond, in het licht dat door de gang stroomde.
‘Heb je kinderen?’
Ze knikte. ‘Ja.’
‘Hoeveel?’
‘Nee,’ zei ze snel, ‘geen kinderen, maar wel een huisdier.’
‘Nou, daar kun je ook je handen aan vol hebben, hoor.’ Hij trok wat langer zijn mondhoeken op. Ze had nu duidelijk zicht op een regelmatige rij witte tanden. Kleine rimpeltjes krulden rond zijn ogen en zijn grijze wenkbrauwen schoten even koket boven zijn bril uit. Hij keek haar strak aan.
‘Kat of hond?
‘Kat.’
‘Vrouwtje of mannetje?’
‘Een kater, maar hij heet Irma.’
Dr. van Loon viel even stil.
‘Leeftijd?’
‘Zevenenveertig.’
‘Een kater van zevenenveertig jaar?’ Zijn mond bleef open staan. Al de variabelen moesten opnieuw ingevoerd worden. Ze stuurde zijn hele berekening in de war.
‘O sorry, ik dacht.. nee Irma is bijna dertien.’
Ze deed een stap naar de zon. Liegen, vloeken en beloftes breken.
‘De statistiekclub begint pas na de vakantie, Anna. Op 12 september om precies te zijn.’
Ze knikte. Na de zomer zou alles er anders uit zien.
‘Heel bijzonder. Heel bijzonder. Erg leuk dat je meedoet. Tot in het nieuwe academiejaar.’ Dr. van Loon sloot de deur achter haar rug.

De najaarszon veegde het donkere groen als een schaduw naar de slootrand en viel uiteindelijk koperkleurig op het kroos. De zon was nog warm, maar de wind was kil en had al die geur van verdord blad, schimmel en vocht. Het ijzeren hek stond op een kier. Ze duwde het wat verder open. Het wieltje onderaan het metaal knarste onwillig over zijn cirkelvormige rails, vol afgevallen blad.
Ze had bij de kiosk op het station een extra bekertje om haar koffie moeten schuiven. Het meisje had haar nog gewaarschuwd dat het heet was. ‘Niet bovenaan vasthouden, hoor. Sta je straks alleen met het dekseltje in je hand en spat het bekertje uiteen op je mooie witte laarsjes. Heb ik zelf weleens meegemaakt. Och god en dan moet je nog heel de dag door zien te komen met je bruin-wit gevlekte broek.’
Haar bankje was godzijdank leeg. Vlug zette ze haar bekertje naast zich neer en blies op haar vingertoppen.
Staande stenen, liggende stenen, de graven lagen voor haar uitgestrekt onder de bomen. Daar rechts bij die grote ceder, het derde graf vanaf deze kant gezien. Te ver weg van haar bankje om zijn naam op de steen te kunnen lezen, als die al geplaatst zou zijn. Ze slikte en maaide in een onverhoedse veeg van haar hand haar bril van haar neus. Een schaduw naast de bank bukte ernaar en gaf haar de bril terug. ‘Was jij dat met je beroemde kat, daar op het station? De kater met de welluidende naam Irma?’
Ze hapte naar adem. ‘Dr. van Loon. Ik schrik me dood.’
Hij schoof naast haar op het bankje. ‘Iedere maandagochtend hetzelfde ritueel. De trein van half tien, een jongeman met een tas vol schoongewassen sokken en onderbroeken. Dat moet Irma, de kater zijn, die ze na een weekendje uitzwaait, dacht ik.’
Ze keek naar zijn uitgestreken gezicht. Hij staarde voor zich uit naar de rijen met graven, zijn lange benen voor zich uitgestrekt. Ze stond op, pakte haar beker koffie en liep een eindje van het bankje vandaan.
‘Dr. van Loon! U bespioneert me.’
‘Dat is geenszins het geval. De kans dat ik je op het station zou treffen op maandagochtend om half tien, was ongeveer zo groot als de kans dat ik door bliksem getroffen zou worden, of de jackpot zou winnen. Maar ik zag je en ik zag je drie achtereenvolgende maandagen, omdat we ieder kennelijk ons eigen ritueel hebben.’ Hij trok zijn mondhoeken op in een zelfvoldane grimas.
De zon verdween achter een wolk. Blaadjes ritselden naar beneden op een plotselinge windvlaag.
‘Is hij je zoon?’ vroeg hij.
Ze schopte wat steentjes weg van het pad en knikte kort.
Dr. van Loon trok de kraag van zijn lange wollen jas omhoog en hield hem met een hand gesloten onder zijn kin. ‘Hoe heet je zoon?’
Ze schoof weer voorzichtig op het bankje en haalde het deksel van haar koffie. ‘Natan. Hij heet Natan.’
‘Ook al een palindroom,’ zei hij. ‘Anna, Natan, allebei omkeerbaar.’
Ze voelde dat hij naar haar keek. ‘Was alles maar omkeerbaar, hè Anna?’
‘Palindroom. U bent echt van alle markten thuis, dr. van Loon.’
‘Rob en je alsjeblieft,’ zei hij nadrukkelijk.
Ze zaten een tijdje zwijgend naast elkaar.
Hij had een mooi profiel, rechte neus, sterke kin. De wind legde zijn grijze haar jongensachtig over zijn voorhoofd. ‘Jammer Anna. Je leek me uitermate geschikt voor de club. Geen statistiekmens, maar wel het onkreukbare type. Recht door zee, beloftes nakomen, geen list en bedrog, de waarheid spreken, geen gesjoemel. Dat soort dingen.’
‘Dan ben je toch juist niet geschikt voor de wetenschap, Rob?’
Hij kon er niet om lachen.
‘Jij, jij verzint een kat, terwijl je een zoon hebt…en.’
‘Irma bestaat echt. Irma is mijn kater,’ riep ze
‘En je komt gewoon niet naar de bijeenkomsten van de statistiekclub op maandagmiddag, terwijl ik jou al drie achtereenvolgende maandagen heel gezond zie rondstappen op het station; enfin er is al een beterschapskaart naar je onderweg.’
Ze blies in de inmiddels koude koffie. ‘Sorry, Rob. Schrap mij maar. Haal mijn formulier maar uit je keurige ordner. Ik zit achter het tabje A. A van Anna van Anraad. Genoeg a.’s zou ik zeggen. Ik had oneigenlijke motieven om me in te schrijven. Ik ben helemaal niet geïnteresseerd in cijfers. Ik wil niks bewijzen. Ik wil alleen maar schrijven over mensen, over hun tekorten, gewoontes en gektes en zo. In ieder geval een veel te subjectieve invalshoek voor de statistiek. Nietwaar?’
Ze zoog haar longen vol, gaf hem geen kans iets te zeggen. ‘En nee, dat wil ik niet onderbouwen met cijfers. Ik wil niks bewijzen. Dat 90% van de jongeren met een laag IQ makkelijk beïnvloedbaar is bijvoorbeeld en al snel neigt naar criminaliteit en radicalisering? Wat weten we dan, Rob? Welke kennis hebben we dan vergaard? Wat weten we dan van die ene jongen daar ergens in Rotterdam? Ik heb niks met cijfers. Ik ga vloeken van statistiek. Sorry.’
Hij sprong op en keek haar aan met grote, donkere ogen, draaide zich om en beende met lange passen langs de graven.
Anna draaide haar lege bekertje rond en rond. De rechte rug van Rob van Loon verdween achter de kastanjebomen. Verdomme, verdomme. Ze staarde naar het derde graf onder de ceder. Het was doodstil. Even was daar weer een windvlaag, blaadjes ritselden, de kruin van de ceder boog iets naar links voor de zon. Ze rilde en trok haar jas iets dichter om zich heen. Stil. Een doffe plof van een kastanje op het pad links. De ceder zwiepte kermend naar rechts. Voorzichtig maakte een stoffige baan zonlicht zich los uit de kruin van de ceder en verlichtte plotseling zijn lange gestalte in wapperende jaspanden op het pad rechts naast de ceder. Als een gezichtloos silhouet bewoog hij in het vuile licht steeds dichter naar haar bankje. Ze schermde haar ogen af tegen het lage licht.
‘Ik heb er drie,’ zei hij toen hij voor haar stond. Hij ging weer naast haar zitten.
Ze keek naar zijn profiel. ‘Wat? Wat drie?’
‘Drie dochters. Ik ben alleen met drie dochters, allemaal nog thuis.’
‘Nou Rob, daar zul je je handen aan vol hebben,’ lachte ze.
Hij trok zijn mondhoeken hoog op. Zijn wenkbrauwen schoten boven zijn bril uit. ‘Wat doe je hier eigenlijk iedere maandag, Anna?’
‘Op maandag drink ik koffie met mijn vader.’ Ze knikte naar de ceder. ‘Derde graf links.’
Lichtvlekken dansten op de grafstenen. Ze keken zwijgend naar het schouwspel. De hemel trok dicht, kleurde de ceder zwart. Kastanjes stuiterden over het grindpad toen de wind plotseling aantrok. Rob wreef in zijn handen en sloeg zijn sjaal om. ‘Je bent me er eentje, Anna. Je bent me er eentje.’
Met een jongensachtige sprong stond hij op van de bank. ‘Waarom kom je niet naar de borrel? Geen statistiek, alleen wat drinken. ’t Is een leuke club.’ Hij knerpte weg over het grindpad naar de ijzeren toegangspoort. ‘Gewoon alleen de borrel, Anna. Doen, hoor,’ riep hij over zijn schouder.
Ze hief haar lege bekertje naar hem op, verfrommelde het en mikte het naar de prullenbank naast het bankje. Mis. Ze gooide altijd mis.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail