Merel – kort verhaal

Fran is naar huis gekomen om erover te praten, al is huis in dit verband niet het juiste woord. Ze nam het eerste het beste vliegtuig. Ze bereidde zich gedurende de vlucht voor op het aanschouwen van de puinhopen van het bestaan. Ze oefende antwoorden op de gecompliceerde vragen die ze kon verwachten. Dat ze juist van slag zou raken door de eenvoudige vragen, had ze niet voorzien.
Het begon die ochtend al toen ze na aankomst op het stationsplein aarzelend heen en weer liep langs taxi’s en bussen.
‘Waar moet u heen?’ vroeg een taxichauffeur. Ze keek naar haar koffer. Het handvat, vaalrood verschoten, bleef onverstoorbaar overeind staan. ‘Ik weet het niet.’
Ze liep verder langs de rijen bussen en stapte uiteindelijk in bus nummer 8 die haar tot aan de rand van de stad bracht, waar aan de oprit naar de snelweg een hotel lag.
Koffer en zij waren de enige kleurrijke objecten in de koele, grijze lobby. Daar kwam de tweede vraag: of ze een voorkeur voor een kamer had? Ze keek weer naar haar koffer en besefte dat hij alles was wat ze nog had en niks los zou laten. Dat was ook de enige manier waarop hij haar kon helpen; alles angstvallig binnenhouden achter zijn ritsen en sloten.
‘Misschien heeft u een voorkeur voor een verdieping?’ glimlachte de receptioniste uiteindelijk.
‘De hoogste.’

De derde vraag waar ze zich niet op voorbereid had, kwam in de brandweerkazerne. Een afspraak in de brandweerkazerne was een uitzondering, had de man gezegd. ‘Meestal komen we bij de mensen thuis. Dit is bij gebrek aan beter, zeg maar.’ Hij wees haar op een stoel voor zijn bureau. ‘Waar had je als eerste naar gegrepen als je thuis was geweest?’
Wat was dat nu weer voor een vraag? Ze had geen idee. De man rangschikte wat papieren op zijn massief eiken bureau uit de vorige eeuw. Achter zijn hoofd hing een ingelijste oorkonde naast een zeventiende-eeuws schilderij van een brandend dorp, een fascinerend schouwspel van licht en donker. Zwarte schaduwen van molens langs een vaart en daarachter een brandende torenspits en rijtjes huizen. De vlammen als een hemels licht in een schimmig landschap vol krioelende figuurtjes met emmertjes langs de vaart.
‘Er was geen redden meer aan.’ De man schoof zijn bril op zijn voorhoofd en wreef over zijn gesloten ogen. Met beide duimen in zijn ooghoeken gedrukt zuchtte hij: ‘Je was er niet. Anders hadden we nog iets waardevols kunnen redden op jouw aanwijzingen. Je schilderijen bijvoorbeeld, maar ja, je was in het buitenland.’
Daar had je het al. Het was allemaal haar schuld. Zij had vanuit Spanje een ramp veroorzaakt en hem met de ellende opgezadeld, terwijl zij lekker sangria zat te drinken op een terras.
Hij wreef over zijn voorhoofd. De groeven naast zijn mond waren diep. Onder zijn ogen zaten van die gelige cholesterolbobbeltjes. Die had ze niet eerder gezien. Ze voelde de aandrang om op te staan, hem te troosten, koffie voor hem in te schenken en te zeggen dat het allemaal niet gaf. Ze moest, zoals altijd, lachen en luchtig wuiven met haar armen: ‘Ach allemaal oude meuk, het geeft helemaal niks. Geen zorgen.’
‘Koffie?’ Hij duwde zich aan de rand van zijn bureau omhoog en beende stram naar de vensterbank waar een thermoskan en wat bekers stonden.
Ze knikte. De gloeiende huid van haar nek schuurde langs haar kraag. De man ging weer zitten en plantte zijn ellebogen op het bureaublad en zette zijn duimen aan weerszijden van zijn neuswortel. Met zijn wijsvingers wreef hij ritmisch over zijn gesloten oogleden en wenkbrauwen.
‘De zaak moet tot op de bodem worden uitgezocht, dat begrijp je. Je kunt voorlopig niet naar binnen.’ Hij tastte naar zijn koffiemok. ‘Het zal najaar worden. In oktober kun je misschien eens kijken of je nog spulletjes..’
Nu keek hij haar even indringend aan, ‘tenzij er uit veiligheidsoverwegingen een verbod wordt uitgevaardigd om het huis nog überhaupt binnen te gaan.’
Ze boog haar hoofd en dronk haar koffie met kleine slokjes alsof hij heet en sterk was.
Ze hoefde zelf het huis niet meer in als ze dat niet wilde. Zijn team kon alles voor haar regelen.
Hij had nu eindelijk zijn professionele toon te pakken en dreunde door over verzekeringen, over wat hij en zijn team allemaal voor haar konden betekenen. Voorschriften, regels, hulp, het kabbelde over haar heen. Achter haar rug drong het geklop van snelle vingers op een toetsenbord tot haar door. Wat een harde aanslag had dat mens. Moest ze alles opschrijven? Ze wierp een blik over haar schouder. Het was een meisje nog met een blonde vlecht over haar linkerborst gedrapeerd.
Slachtofferhulp. Noemde hij haar nu ineens slachtoffer? Ze keek naar zijn pratende lippen. Speeksel hoopte zich op in zijn mondhoeken.
‘Eerst dacht ik aan mijn dagboeken,’ lachte ze. ‘Onzin natuurlijk. Al die onzinnige, beschamende gedachten, al die kinderachtige gevoelens mogen in rook opgaan, vind je niet?’
Hij kuchte. ‘Wist je dat een oplader zonder aangesloten apparaat in het stopcontact al brand kan veroorzaken.’
Ze draaide zich abrupt naar de secretaresse. ‘Maar nu denk ik alleen nog maar aan de foto’s.’ Het meisje typte diep over haar toetsenbord gebogen haar woorden mee.
De man keek haar bijna dankbaar aan. Hier hoefde hij niets mee. Emoties vielen buiten de verzekering. ‘Tsja, meestal blijkt het onverzekerde spul het meest waardevol voor de mensen, maar we zullen zien. Er zullen heus nog wel wat spullen min of meer ongeschonden uit het huis komen. Laat het maar aan ons over.’
Hij liep om het bureau heen en klopte haar op de schouder.
Ze gaf een gilletje. De man deinsde achteruit.
‘Sorry, mijn huid. De Spaanse zon. Ik ben..’ Ze stond op. ‘Het schrijnt nogal.’
Hij snelde voor haar uit naar de deur. ‘Heb je ergens onderdak?’
‘Zonder foto’s zal ik alles vergeten. Eerst vergeet je de zachtheid van huid, de geur van haren, de trilling van een stem. Dan, ja na verloop van tijd vergeet je zelfs de gelaatstrekken. En nu, nu heb ik niets meer om me te helpen herinneren.’
De man legde voorzichtig zijn hand op haar schouder.
‘Sorry. Het spijt me echt heel erg. Misschien moet je alles wat je nu nog weet heel gedetailleerd opschrijven.’
‘Nee.’ Ze keek hem even fel aan. ‘Nee, geen dagboeken meer.’ Ze schudde driftig haar hoofd. Onder haar kraag schuurde een stukje huid open. Warm vocht druppelde in haar nek.

De hotelkamer is smetteloos en koel. Onder haar in de diepte rijden geluidloos auto’s in een oneindige stroom over vier banen asfalt. Ze probeert de ramen. Onwrikbare hendels.
Aan de grijze muur hangt een schilderij in grijstinten. Een bloemmotief. Abstract maar toch herkenbaar, wat ze in een catalogus modern klassiek zouden noemen. Wie zou die dingen uitzoeken? Werkjes waar je overheen kijkt, die samenvallen met de muurverf. Nu ze erover nadenkt, ze heeft in geen enkele hotelkamer ooit iets zien hangen dat haar is bijgebleven.
In haar woonkamer hing één van haar favoriete schilderijen: een houten paneeltje vol strakke lijnen, waaruit bij langdurige beschouwing zich langzaam een kliffenkust losmaakte. De eerste opzet had ze in Wales gemaakt op een stuk aangespoeld wrakhout. Zelfs haar man vond het een verdienstelijk werkje. Fred nam haar werk als beeldend kunstenaar nooit helemaal serieus. In gezelschap van vrienden sprak hij over de tijdrovende hobby van zijn Frances.
Ze kleedt zich uit en bestrooit haar lichaam met mentolpoeder. Haar handtas begint te brommen. Tegen de tijd dat ze haar telefoon opgediept heeft, is de verbinding verbroken, maar in haar hand begint hij meteen weer te trillen.
‘Waar ben je?’ vraagt hij.
Hij zucht. ‘O, Fran, zo’n onpersoonlijk hotel bij de snelweg. Waarom kwel je jezelf zo?’
‘Dat doe ik niet.’
‘Jawel, je bent jezelf aan het slachtofferen. Ik weet precies wat je daar gaat doen in dat hotel. Denken, malen, piekeren, tobben. Jezelf in de knoop draaien. Neem een hotel in de stad. Zal ik er een voor je boeken aan de binnenhavens met een mooi uitzicht, lekker eten, mensen op straat?’
‘Ik kwel mezelf niet. Integendeel.’
Ze hoort zijn geërgerde ademhaling.
‘Zal ik naar je toekomen?’ vraagt hij.
Ze duwt haar voorhoofd tegen het koele glas, trekt aan de hendel van het raam. Het kan echt niet open. De luchtstroom uit de airco streelt haar nek. ‘Dus, dit is wat je doet?’ zegt ze.
‘Wat ik doe? Wat doe ik dan?’
‘Jarenlang vroeg ik me af wat je de hele dag deed op dat kantoor. Als jij ’s ochtends vertrokken was en ik haar naar school gebracht had, ruimde ik de ontbijtboel af en dan dacht ik: wat doet hij nu? Wat zegt hij tegen slachtoffers? Hoe brengt hij rapport uit? Hoe kun je tegen mensen zeggen dat hun hele hebben en houwen in vlammen is opgegaan?’
Ze gaat op de vensterbank zitten en luistert lang naar zijn zware ademhaling.
‘Nu was het natuurlijk anders,’ zegt hij
‘O ja? Ik vond dat je het heel netjes deed. Betrokken, maar op afstand. Erg professioneel.’
‘Je kwelt jezelf, Fran.’
Ze loopt naar de badkamer, draait de badkraan open en kijkt een tijdje naar het water dat dampend in het bad stroomt. Dan draait ze de kraan weer dicht.
‘Weet zij het?’
‘Wie?’
‘Je secretaresse?’
‘Ik denk het niet. In ieder geval niet van mij. Waarom?’
‘Ze keek zo naar me, zo nieuwsgierig. Ze vergat af en toe te typen.’
‘Zal ik naar je toekomen?’
Ze houdt haar adem in. Hoelang kan zij stoppen met ademen? Ze telt in stilte.
‘Frances? Ik heb een verrassing voor je.’
‘O, ja?’
Hoeveel fotoalbums had ze eigenlijk gehad? Zeker meer dan dertig. Vooral in het begin had ze veel foto’s gemaakt en alles trouw laten afdrukken en ingeplakt. Ze kocht een speciale fotosnijplank om de kaders uit te snijden. Hele middagen zat ze aan de eettafel foto’s te selecteren, bij te snijden, in te plakken. Het kleine lijfje naast haar op voelafstand. Op knuffelafstand. ‘Niet doen, mama. Ik ben bezig.’ Dat boze rimpeltje boven haar neus. Mollige handjes gristen de weggesneden randjes foto onder haar handen vandaan. Dat zou ze dus moeten opschrijven. Hoe die kleine vingertjes de snippers fotopapier oppakten, onder klodderden met lijm en over een leeg vel drapeerden. Toen was haar talent al zichtbaar zo klein als ze was. Het kind had zoveel gevoel voor kleur en compositie gehad. De handjes maakten kunstwerkjes van reepjes blauwe lucht, grijsgroene helmsprieten, een flintertje geel regenjack. Op de zolder bewaarde ze de vellen in mappen, samen met de tekeningen, vouwwerkjes, proeflapjes. Ook in vlammen opgegaan natuurlijk.
Ze hoort zijn ontevreden gegrom. Dat geluid dat hij kon maken, ze was het bijna vergeten.
‘Waarom is voor jou nooit iets een verrassing?’
‘Ach Fred, ik ken je ook al zo lang.’
Haar duim aarzelt boven ‘gesprek beëindigen.’ Dan vraagt ze het toch.
‘Waarom begon je vanochtend over mijn schilderijen?
Hij antwoordt niet meteen. ‘Je schilderijen zijn toch het dierbaarste wat je bezit?’
Ze laat zich achterover op het bed vallen. Een scherpe pijn schiet langs haar rug. O Fred, ze had beter in Spanje kunnen blijven.
‘Fran, ben je er nog?’
Ze hoort hem kuchen en een paar slokken nemen. Bier of whisky? ‘Je kunt haar googelen. Soms doe ik dat ook.’ Hij schraapt zijn keel. ‘Het helpt een beetje. Mij tenminste. Dan kijk ik wat mensen over haar geschreven hebben, over haar talenten en verdiensten enzo. Er staan ook foto’s op internet. Dat helpt.’
‘Ik ga slapen, Fred.’ Ze verbreekt snel de verbinding.
Alsof zij op google beter weten wie haar dochter is. Ze glijdt naakt tussen de koele lakens en staart naar het plafond.

Het ergste zwart is van de nacht als ze wakker schrikt. Ze kleedt zich aan. In de lobby wacht ze op haar taxi. De glazen deuren reflecteren haar opgerichte lichaam op het puntje van de loungebank naast koffer.
Als ze nu niet meteen vertrekt, zal Fred haar hier vinden. Ze kent die verrassingen van hem. Altijd goed bedoeld, maar altijd mis. Hij zal door deze deuren naar binnenwandelen met onder zijn arm zo’n op zijn laptop geknutselde Hema fotoalbum. Hij zal er de kinderfoto’s voor gebruikt hebben die hij, voordat hij voorgoed bij haar wegging, zorgvuldig heeft gescand en opgeslagen. Ze ziet zijn brede glunderlach al voor zich. Een verrassing zal hij het blijven noemen, maar natuurlijk is het een zoenoffer. Hij heeft zoveel goed te maken. Ze schudt haar hoofd en schouders los. Geen enkel geluid dringt de lobby binnen. Ze hoort alleen het geritsel van de receptioniste achter de balie, die haar nog maar eens wijst op de mogelijkheid een espresso te tappen bij het apparaat achter de plantenbak.
Waar blijft die taxi? Straks staat hij voor haar met – ja ze ziet hem ervoor aan – een album met niet alleen de kinderfoto’s maar ook met plaatjes van internet. O God, ja hij is ertoe in staat. Hij zal haar dwingen om naar die idiote internetplaatjes te kijken van haar kind als volwassen vrouw, als schilderes, als muze, ja als wat….bijzit, buitenvrouw?
Zij zal hem naast zich moeten dulden en naar zijn enthousiaste toelichtingen moeten luisteren, met hem mee moeten kijken naar de foto’s. Even zullen ze doen alsof ze echt met elkaar praten. Even zullen ze doen alsof ze met elkaar in gesprek zijn over hun kind dat plotseling uit hun leven verdween, terwijl zijn stompe wijsvinger de plaatjes aanwijst, maar al snel zal zij gaan schreeuwen. Als hij niet zo idioot conservatief was geweest, zo conventioneel. Hij had het meisje verdreven, steeds dieper in de armen van die zelf benoemde Picasso met zijn – ja hoeveel ? – vrouwen.
Alsof er plotseling een grote vermoeidheid over hem heen valt, zullen zijn oogleden dichtvallen. En dan zal het sissen beginnen. Spetters speeksel zullen van zijn lippen schieten. ‘Tssss, stop, stop, hou daar nu eindelijk eens mee op. Ik word ziek van al dat zelf verzonnen leed, Frances. Je wentelt je om en om in je eigen verzinsels. Jij en je dochter, jullie hadden het zo goed samen, uren zaten jullie te knutselen en te tekenen. Zij, lief en stil vol bewondering voor jou, probeerde jou te imiteren. Dat is toch wat je denkt? En dat heb ik allemaal van je afgepakt. Je huis en je verbrande foto’s, dat heb ik ook gedaan. Ja toch?
Even zal hij haar vernietigend aankijken en met smalende stem vervolgen. ‘JIJ hebt haar verstikt, Frances! Je hebt haar als een bonsaiboompje steeds teruggesnoeid; desondanks bleef ze groeien. Ze overschaduwde jou.’
Dat zal het moment zijn waarop ze hem wil slaan. Ze wil die dikke lippen met al haar kracht op elkaar drukken, zijn mond dichtduwen, want ze weet wat hij vervolgens zal zeggen.
‘Je wil het niet horen. Je draait je liever nog een keer om in je eigen drek. Liever slachtoffer dan verliezer, toch Fran? Kijk nou een keer op internet.’
Haar huid gloeit. Kokende lava begint door haar lichaam stromen. Het zal zich ophopen onder haar hart, klaar om uit te barsten. Een eruptie die maandenlang kan aanhouden. Zover zal ze het niet laten komen. Zover mag het niet komen.
De deuren glijden voor haar open. Buiten op de stoep van het hotel spreidt ze haar armen en laat de resten van de nacht langs haar lichaam waaien, maar de aarzelende ochtendschemer brengt nauwelijks verkoeling.
‘Taxi?’ Achter haar staat een stevige vrouw met kastanjebruin haar en een boezem om je hoofd op te leggen. Ze volgt de deinende billen naar de glanzende Mercedes.
En dan begint het sissen weer. ‘Tssss Fran, daar ga je weer. Handen op je oren, houd je maar doof, maar ze is niet dood. Ga naar haar toe. Je kunt haar opzoeken.’ Hij zal het blijven herhalen ‘Ze is niet dood. Ze is niet dood. Ze is springlevend zonder jou.’
Twee grijze ogen staren haar aan in de achteruitkijkspiegel.
Snel haalt ze haar handen van haar oren. ‘O sorry.’
‘Waarheen, vroeg ik. Waar gaan we naartoe?’ De stem van de taxichauffeur is zacht en melodieus. Kon de vrouw maar blijven praten zonder dat zij iets terug hoeft te zeggen. Alleen die stem en het geluid van de motor om de nieuwe dag tegemoet te kunnen gaan.
‘De meter loopt, mevrouw weet u het al?’
‘Vliegveld, uhm Schiphol.’
Een merel doorsnijdt het zachte geruis van de snelweg met zijn lied. Om de ogen van de vrouw plooien zich lachrimpeltjes. Ze draait zich even om naar Fran. ‘Nou ja. Toeval bestaat niet.’ Ze draait het volume van de radio op. ‘En dat pal naast de snelweg.’ De vrouw lacht en neuriet het lied mee. Ze geeft gas en rijdt voluit zingend de snelweg op. Blackbird singing in the dead of night. Take these sunken eyes and learn to see, all your life. Op het moment dat Fran fluisterend invalt, gaat de taxichauffeur over op de tweede stem. Blackbird fly, blackbird fly, into the light of the dark black night.
Fran leunt achterover. Schiphol. Over een kwartier zullen ze Rotterdam Airport al passeren. Schiphol! Eindelijk heeft ze een goed antwoord gegeven op een simpele vraag.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail