Te grote laarzen – kort verhaal

(foto embed Getty images)

Vraag me niet waarom ik juist die middag de reuzenlaarzen aantrok.
‘Hou jij ze maar, vent,’ had mijn vader gezegd. ‘Je groeit als kool en je hebt voeten als schuiten.’
Mijn vader sprak altijd in vergelijkingen, waar ik geen snars van begreep.  Ik stond daar maar voor het tuinhekje, niks te zeggen als een stomme idioot met die laarzen in mijn hand, terwijl mijn vader zijn auto vol laadde. ‘Ik heb ze echt niet meer nodig, Daaf.’ Hij smeet het kofferdeksel dicht en reed weg. Ik heb hem nooit meer kunnen vragen of hij met zijn opmerking over mijn schuiten iets positief had bedoeld of juist niet. Sindsdien lagen de laarzen in de bijkeuken. Bij elke was die gedraaid moest worden, trapte mijn moeder ze verder achter de wasmachine.

De rivier was ver. Lopen was eigenlijk gekkenwerk, zeker met die grote laarzen. Ik had de fiets moeten pakken, maar dan had Stef me door het keukenraam over het tuinpad naar de schuur zien lopen en het helemaal op een brullen gezet. Hij zat al heel de middag te dreinen in zijn kinderstoel. Als ik langs hem heen liep, hief hij zijn armpjes en riep met een bibberlipje: ‘Uit, uit, uit.’ Nee, de fiets was uitgesloten.

Het was zeker anderhalf uur lopen. Bij iedere stap schuurden die schuiten van mij langs het stugge rubber van mijn vaders laarzen. Mijn hielen brandden en onder mijn voetzolen groeiden warme vochtkussentjes. Eenmaal in de grienden zou ik de laarzen uittrekken en op blote voeten verder lopen naar het strandje met de ontwortelde boom, de verborgen plek van Dr. Livingstone.
Dr. Livingstone en zijn vrouw Lida struinden uren door de grienden, volgden de rivier op zoek naar zijn oorsprong. Op een van hun tochten hadden ze de open, zanderige plek bij de rivier ontdekt. Ze sloegen er hun basiskamp op. Maar dat was een tijdje geleden. Lang voordat mijn vader zijn laarzen achterliet, lang voordat Stef geboren was.
Ik kan me de kleinste details herinneren: de helblauwe kleur van het elastiekje om de warrige knot van mevrouw Livingstone, haar troebele ogen, het geruite hemd van mijn vader, de opgestroopte mouwen, waaronder de spieren zich aanspanden toen hij het kofferdeksel dichtsloeg, de met chocoladevegen versierde slab van Stef. Ik voel zelfs het koele zand onder mijn brandende voeten. Alles ligt keurig geordend in mijn geheugen, klaar om ingezien te worden, maar waarom ik de laarzen aandeed die middag en naar de rivier vertrok, weet ik niet.

Achteraf bezien kun je misschien inderdaad spreken van een overdreven reactie. Mijn halve klas had gescheiden ouders.  De meeste kinderen waren uitgerust met een heen-en-weer-tas. Ernst, mijn beste vriend, was op zijn negende een meester in het vooruitdenken, plannen en organiseren. Hij vulde geroutineerd zijn heen-en-weertas met sokken, spelletjes, onderbroeken, pyjama en dacht er zelfs aan het cadeautje voor het verjaardagsfeest van een vriend mee te nemen, waar hij de volgende dag naar toe moest. En vanzelfsprekend de uitnodiging voor het feest. ‘Anders weten ze niet waar en hoe laat ik opgehaald moet worden.’
Mijn vader had niet eens over een heen-en-weertas willen praten. ‘Er is een heen, maar geen weer, Daaf.’

De zon was al warm op die middag in april, toen ik naar de rivier liep. Eenmaal in de grienden huiverde ik in de schaduw. Mijn voeten kleurden paars in het vochtige zand. De laarzen trok ik niet meer aan.
De ontwortelde boom op het strandje hing als een zwart geraamte over de staalblauwe rivier. Aan het uiteinde raakte zijn kruin bijna het water. Ik kroop over de brede stam naar de holte waar dr. Livingstone de voorraad had verstopt. Water, rozijnenkoeken, crackers, blikjes sardines met van die sleuteltjes op het deksel geplakt. De sardientjes mikten ze zo met hun vingers op een cracker, dr. Livingstone en zijn vrouw Lida. De rozijnenkoeken waren zompig geworden en beschimmeld.
Ik kroop verder de kruin van de boom in. Ik lag op mijn buik op een grote tak, zo’n anderhalve meter boven de rivier. Het water kabbelde onder mij door. ‘Welke kleur heeft het water?’ Echt zo’n vraag voor mevrouw Livingstone. ‘Ja dr. Livingstone,’ zei ze, ‘dat zijn belangrijke vragen als je de bron van de rivier zoekt. Een ontdekkingsreiziger moet goed om zich heen kijken.’
Blauw. Tot dan toe had ik water altijd blauw gekleurd op mijn tekeningen.

De dag van de laarzen was zo’n beetje de beste dag van mijn leven. Ik begon zelfs te geloven dat mijn vader gelijk zou krijgen, toen hij zei dat het allemaal goed zou komen. Dat ik op een dag zou merken, dat het rare borrelen in mijn borst vanzelf overging, dat ik eraan gewend zou zijn dat hij er niet meer was en dat ik de baby leuk zou gaan vinden. Het goede gevoel begon op school bij de zon die het lokaal binnenviel, de krijtdeeltjes die dansten in de stralen, de stem van juffrouw Roos. Ze noemde mijn naam. Een keer, twee keer, drie keer. De juf gebaarde dat ik voor de klas moest komen. Ze trok een papier uit de stapel en duwde het in mijn handen. Ik moest mijn verhaal voorlezen voor de hele klas. ‘Toe maar, Daaf, het is het beste verhaal dat ik ooit gelezen heb op deze school.’ Later mocht ik zelfs alle klassen rond om het voor te lezen. Ernst liep als een bodyguard naast me en nam eerbiedig de cadeautjes van de leraren voor me in ontvangst. Toen ik aan het einde van de dag alles in mijn rugzak stopte, zei de juf: ‘Wat zal je moeder trots op je zijn, Daaf.’ Ik knikte.
Mijn moeder stond voor het raam met de telefoon tegen haar oor. Ik zwaaide naar haar, maar ze zwaaide niet terug. Stef zat in de kinderstoel aan de keukentafel.  Mijn moeders stem drong zachtjes door.
‘Ik stik bijna. Sinds zijn vader vertrokken is, is het alleen maar erger geworden. Ik heb nog maar een klein streepje eigen ruimte.’ In de stilte die volgde durfde ik niet te bewegen. ‘Ja, je hebt gelijk. Sorry, ik geloof dat ik hem hoor.’
Ze draaide zich langzaam om naar de deur. Over haar ogen lag een vochtig vlies. Ik opende mijn rugzak om haar mijn trofeeën te laten zien. Ze liep langs me heen naar de gang. ‘Ik ben boven, Daaf. Wil jij Stef zo in bed leggen?’
Dat was het moment dat ik in mijn vaders laarzen stapte, het huis uitsloop en zonder doel of plan begon te lopen.

Later toen ik op de tak boven de rivier lag, drong het pas tot me door dat mijn bejubelde verhaal niets voorstelde. Het zou nooit meer goed komen. Heel langzaam werd alles in mijn lijf hard. Het borrelen stopte, niet ongemerkt zoals mijn vader voorspeld had, maar zoals gesmolten chocolade stolt of beter nog zoals water bevriest. Een blok ijs werd ik. Langzaam gleed ik van de tak, viel anderhalve meter naar beneden de rivier in, zakte naar de bodem. Zand dwarrelde voor mijn ogen. Taaie stengels omwikkelden mijn benen, slijmerig groen streek langs mijn wangen. Op de bodem van de rivier nam ik geen ruimte meer in. Ik liep daar niemand voor de voeten. Ik maaide met mijn armen om het troebele gedwarrel voor mijn ogen opzij te duwen. Als je iets niet meer ziet, ben je het kwijt. Pas als je iets kwijt bent, mis je het en wil je het terug.  Terug, je wilt het terug.
Woest klauwend zwom ik naar boven. Ik haalde gulzig adem. Water gulpte mijn mond in en hoestend klemde ik me vast aan de twijgjes die vlak boven het water hingen. Ik moest haar helpen herinneren. Ze was het allemaal vergeten door de nieuwe dingen. Dat was logisch. Als je iets nieuws hebt, vergeet je het oude vertrouwde. Het basiskamp was ook veel te koud en nat geweest. Ik moest het leegstaande huis bij het verlaten veer openbreken en nu eindelijk eens een goed basiskamp voor mevrouw Livingstone maken. Ik mikte de voorraad uit de boom in mijn rugzak en met de laarzen in mijn hand klom ik de dijk op en hobbelde verder naar de restanten van de veerkade halverwege de dijk.

Het laatste wat me nog helder voor ogen staat, is de idiote tuimeling van de politieman, toen hij acht dagen later met kracht de deur van het huis bij het veer forceerde en daarbij zijn evenwicht verloor. Hij schoof over de ruwe vloer de kamer in, waar ik op de grond zat in het envelopje zonlicht dat op de planken viel. In de omlijsting van de deurpost verscheen het gezicht van mijn vader. Donkere schaduwen gleden door zijn blik. De politieman sprong op en stak zijn hand naar me uit: ‘Dr Livingstone, I presume.’

Met mijn geheugen is niets mis. Een uitstekende opsluiting noemde mijn oma het. Ik zou daar nog veel plezier aan beleven in mijn leven, zei ze.
Ik was negen, bijna tien jaar. Ik hield van mijn moeder en genoot van ons spel, van onze ontdekkingsreizen in de polder en de grienden. We waren altijd bij de rivier te vinden en als ik terugdenk aan de middagen op het strandje, was zij voor mij echt mevrouw Livingstone, ja.
Maar koos ik daarom voor mijn vaders laarzen?
Zo’n half jaar geleden viel in een boekwinkel mijn oog op een nieuwe uitgave. De naam van de schrijver kwam me bekend voor. Ik pakte het op en begon lukraak passages te lezen. Het ging over mij. Er was geen twijfel mogelijk, dit boek ging over mij.
Voordat ik de winkel verliet, had ik de helft gelezen. De verkoopster had me aanvankelijk gedienstig informatie gegeven over lovende recensies en stijgende verkoopcijfers. Later maande ze me tot spoed. Ze ging sluiten. Het zou onfatsoenlijk zijn geweest het boek niet te kopen. Thuis gooide ik het in de papiercontainer, waar ik het twee dagen later weer uit opgroef.

Vraag me niet waarom ik die middag mijn vaders laarzen aantrok, naar de rivier liep en besloot het huis bij het veer open te breken. Mijn geheugen hapert. Als in een schaduwspel schuiven er silhouetten over mijn beelden van vroeger.
Vraag me niet waarom, want ik kan nu alleen nog maar denken in de woorden die mijn vader schreef in zijn boek met die opmerkelijke titel Mijn leven:

Daaf zat weggedoken in een hoekje van de kamer. Het stonk er naar vis. Hij moet honger hebben gehad. De politieman probeerde hem aan het lachen te krijgen door zijn hand uit te steken en uitbundig te roepen: ‘Dr. Livingstone, I presume.’
Ik ging naast Daaf zitten en schopte mijn oude laarzen aan de kant. Hij zat doodstil. Ineens kroop hij naar de laarzen toe en omklemde ze met beide armen, bleef een tijdlang onbeweeglijk voor zich uitstaren. Toen begon hij te vertellen over Livingstone en een nieuw basiskamp. Over het helblauwe elastiekje waarmee Lida Livingstone haar krullenbos op haar hoofd bijeen bond. Over hoe ze lachte en rode lippen had als ze van de wilde bramen en aardbeien hadden gegeten. Over hoe ze sardines op de crackers kwakten en hoe de olie langs haar kin droop, terwijl ze vertelde over de binnenlanden  en over de onontdekte gebieden die zij in kaart gingen brengen. En weer over de helblauwe kleur van het elastiekje en over hoe Lida haar krullen bijeen veegde, keer op keer het haar beetpakte en probeerde glad te strijken in een hand, terwijl ze met de andere hand, de krullen die weer lossprongen, verzamelde. En hoe ze, toen ze het elastiekje om de haren wond, vertelde over de nieuwe man en de baby in haar buik die wel, maar ook niet een broertje zou zijn.
Ik deinsde achteruit. Daaf leed niet onder mijn vertrek, zoals Lida me had willen doen geloven. Hij had mij niet gemist. Niet als vader in ieder geval, hooguit als toeschouwer van het spel dat hij en Lida speelden, als rechtvaardiging voor hun al te nauwe band. De manier waarop de jongen de laarzen naar zich toe trok en met beide armen omklemde en praatte over de vrouw die geen belangstelling meer voor hem had, vervulde me met afgrijzen. Naast me zat een bedrogen minnaar. Hij wilde Lida terug. In de rivier springen, huizen kraken, verdwijnen, alles had hij in het werk gesteld en hij zou nog veel meer doen om haar terug te winnen, als zijn vrouw. Hij had zelfs mijn laarzen aangetrokken.

 

 

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail