De verkeerde kant – kort verhaal

(foto: Karsten Thormaehlen)

Evelyn Woutertje Goudsmit.
‘Nee, die naam zegt me niets,’ zult u zeggen. U schudt uw hoofd. ‘Die vrouw heb ik nooit gezien.’ Dan pas zult u liegen. We liegen vaak, weet u.
Ik roep u, maar u vlucht weer naar de overkant van de straat. De verkeerde kant. Neemt u het mij maar niet kwalijk. Ik noem snel iets de verkeerde kant. Dat is een tic van mij.
Als jong meisje wist ik al zonder haperen het onderscheid te maken. Mijn broertje begon met lezen aan de verkeerde kant van het boek. Ik schaamde me voor mijn vader, die aan de verkeerde kant van zijn fiets opstapte. Wij woonden aan de verkeerde kant van de straat. Dat zag je aan de voortuinen, of liever gezegd aan het ontbreken ervan aan onze kant van de straat. Als je geen voortuin hebt, kun je er ook geen knalblauwe step in laten slingeren of met je hond spelen op het gazon. Dan weet je niet eens wat een gazon is.
Zo’n verkeerde kant van de straat vermenigvuldigt zich heel makkelijk tot zes of twaalf verkeerde kanten. Op school verwees de meester mij naar een tafeltje in de middelste rij, terwijl het toch duidelijk was dat alle kinderen, die naar het gymnasium zouden gaan aan de linkerkant zaten, dichtbij het raam. Mijn plek in de middelste rij bevond zich ook nog eens aan de verkeerde kant van het midden, te dicht bij de toekomstloze kinderen aan de rechterkant van de klas. Zij zaten vlak bij de deur om het voortijdig schoolverlaten te vergemakkelijken. De zes negens op mijn laatste rapport hadden de meester een moment doen twijfelen, maar de plaats die ons gezin innam in de dorpsgemeenschap, aan de rand van de samenleving, was in te veel opzichten de verkeerde kant.
‘Evelyn, hou eens met dat eigenwijze gedoe,’ schreeuwde mijn moeder. ‘Wat weet jij van goed of verkeerd? Jij denkt dat je alles beter weet.’
‘Ik weet ook alles beter,’ zei ik. Toen moest ik aan de verkeerde kant van de kelderdeur zitten om in het stikdonker na te denken over goed en fout.
Mijn moeder kon het niet helpen. Ze behoorde niet tot de goede kant van haar familie. Haar vader, mijn opa, was verstoten door zijn familie en uit zijn geboortedorp gejaagd, omdat hij de schoolkinderen – zeg maar – aan de verkeerde kant van hun lichaam vastpakte.
Toen ik geboren werd, kreeg ik de naam van mijn moeder en werd ik bovendien vernoemd naar mijn grootvader. Evelyn Woutertje Goudsmit. Al het verkeerde kwam zo bij mij in het kwadraat samen, dus zeg me niet dat ik het onderscheid tussen goed of fout niet kan maken.

U kent mijn naam niet. Dat klopt. U zult nooit kunnen zeggen: ‘Hé, daar gaat Evelyn Goudsmit,’ maar toch komen we elkaar elke dag tegen. Tenminste als het mij lukt om naar buiten te gaan. Als u mij nu zou horen praten, zou u zeggen: ‘Evelyn, je bent gewoon verongelijkt.’
Als kind was ik verongelijkt vanwege die blauwe step en mijn plek in de klas en omdat ik nooit, maar dan ook nooit het verjaardagstaartje van de meester heb gekregen. Alleen de kinderen van de dokter, de notaris, de advocaat, de burgemeester kregen de traktaties die door jarige kinderen uit andere klassen op het bureau van de meester werden geschoven.
Later ergerde ik me gewoon snel. Dat is waar. Als het dan bijvoorbeeld zomer was, op zichzelf de goede kant van het jaar, dan kon ik me opwinden over de sloffende badgasten die voor je fietswiel blijven lopen, de honden die happen naar alles wat ronddraait, de oude mannetjes die zich met moeite overeind houden en uit lijfsbehoud één rechte lijn volgen, die van de middenstreep van het fietspad; de gezinnen die in een brede colonne fietsen, de wielrenners die altijd haast hebben, de kinderen die midden op het fietspad gaan zitten om hun sandalen uit te schudden, hun allerlaatste krachtinspanning van de dag en daarna echt niet verder willen, alleen op de heup van mama of de schouders van papa. Ik werd gek van vriendinnengroepjes op de fiets, van wie de voorste plotseling besluit een glaasje witte wijn te drinken op dat leuke terras daar links, waardoor vijf platinablonde dames in haar kielzog plotseling het wiel naar links gooien net op het moment dat ik besloten had ze te passeren. Hoe ouder je wordt hoe groter de zaken waarom het gaat. Toen ik een jaar of 22 was, merkte ik dat ik in de kerk aan de verkeerde kant van de religie stond. De zondige kant. Hoe ik ook mijn best deed, elke dag werd mijn schuld groter. Ik was te laat, te bloot, te ordinair, te giechelig, te Evelyn Woutertje.
Op een bepaald moment dacht ik niet meer zo vaak aan de verkeerde kant of misschien had ik me erbij neergelegd. Maar de laatste tijd ben ik behoorlijk in de war.

’s Avonds kijken we hier in de grote zaal naar de televisie en daar zijn vaak mannen aan het woord die alles weten over de verkeerde kant. Lenie de Groot zit er altijd doorheen te kakelen. Zelf noemt ze het meepraten, want zij snapt waar die mannen het over hebben. ‘Het is heel simpel, Evelyn’, zei ze gisterenavond. ‘Er zijn mensen uit allerlei andere landen hier gekomen en daarom hebben we het zo slecht.’
‘Slecht?’ vroeg ik.
‘Jij zit toch ook altijd te klagen, Evelyn. Dit is verkeerd, dat is verkeerd.’
‘Ja… maar.’
‘Nou dat komt allemaal door die mensen. Zij zijn overal de schuld van,’ zei Lenie. ‘Die man gaat ze wegjagen en dan komt het allemaal goed.’ Lenie wees naar de televisie.
Ik zette het geluid harder om te horen wat de man zei, maar Lenie begon te schreeuwen. ‘Snap je het nou, Evelyn?’
Ik knikte maar naar haar. Als ik Lenie goed begrijp, dan zijn die mensen eigenlijk de verkeerde kant, want ze komen van de verkeerde kant van de wereld. Ze hebben verkeerde gewoontes en geloven het verkeerde. Als zij weg zijn, zit ik eindelijk na al die jaren aan de goede kant. Volgens mij is dat wat Lenie bedoelde.  Later op de avond vroeg ik het voor de zekerheid aan Cor, maar die had het halve programma zitten dutten.

Eerlijk gezegd geloof ik Lenie niet. Ik begrijp steeds minder van verkeerde en goede kanten. Vooral nu ik u bijna dagelijks tegenkom op straat. Ik heb er vannacht niet van kunnen slapen. Vanochtend had ik helemaal geen zin om op te staan om mijn ochtendwandelingetje te maken. Ik zou u weer onder ogen moeten komen.
‘Maar zo zijn we niet getrouwd Evelyn Woutertje,’ zei ik tegen mezelf. ‘Hup hup uit de veren.’ Dat hup hup duurt tegenwoordig wel even, maar hier sta ik dan toch, keurig aangekleed, klaar voor vertrek.
‘Evelyn, wat sta je weer mooi in de steigers,’ roept Joyce vanaf de gang.
Zo plaagt ze me met mijn rollator, die als een ruim hekwerk om me heen staat.
Wat in de steigers staat wordt opgeknapt, zeg ik altijd maar.
Joyce komt uit Ghana en is bijna blauw van zwartigheid, maar toch is ze de beste van het stel. De anderen schommelen achteloos langs de tafels met koffie, thee en soep en praten tegen je alsof je vier bent. Joyce niet. Ze is lief en zorgzaam, slim ook en ze beweegt traag en elegant op hoge benen als een giraffe. Soms danst ze met me op muziek van de Talking heads. Het heet Slippery people en het is Joyce’s favoriete liedje. Ik mag dan ‘in de steigers’ blijven staan als ik mijn knieën maar net zo hoog optrek als de achtergrondzangeressen op het schermpje van haar telefoon.
‘Cool jasje, Evelyn.’ Joyce wrijft me over mijn ruggengraat. ‘Cor is al buiten.’
Door het raam zie ik hem met zijn boodschappentassen. Hij hoeft al jaren geen boodschappen meer te doen, dus volgens mij gebruikt hij ze als houvast. Dat had mijn jongste ook. Toen die eindelijk begon te lopen, ze was al bijna twee, kon ze dat alleen met een plastic emmertje in haar hand als steuntje.
Ik rol naar buiten, Cor achterna. De geur van de herfst hangt tussen de bomen. Het licht strijkt laag onder de kruinen door, verdrijft de demonen van de nacht.
Cor is al weer op de terugweg. Onze wandelingen beslaan nog geen honderd meter. Hij komt me tegemoet. Zijn armen stijf, wijd uitgespreid als vleugels voor het evenwicht. Aan zijn polsen hangen de lege boodschappentassen. Zijn benen, stijf, licht gespreid. Cor is als een robot van het eerste uur. Geen van de bewegende delen van zijn lichaam werkt. Zijn gewrichten scharnieren niet, zijn ogen staren en zijn mond staat open. Alleen de boodschappentassen slingerden soepel rond zijn stijve polsen. Hij werpt zich van het ene been op het andere om vooruit te komen. Op het moment dat we elkaar treffen op het trottoir, staat hij stil, draait zijn hoofd schokkerig naar de straat en weer terug. Zijn blik neemt een aanloopje tot een gesprek, een opmerking over iets op de straat, maar dan vervalt zijn lichaam weer in dezelfde starheid. Voorzichtig draai ik me in mijn steigers om naar Cor. De meters tussen hem en mij groeien langzaam. Dan zie ik u achter hem opdoemen. U schrikt. U schrikt elke dag weer als u Cor, het robotmonster ziet. U passeert hem snel en krijgt dan mij in het vizier. Die blik van u. Wij bevallen u niet, helemaal niet. Ineens begrijp ik wat u ziet: een vogelvrouwtje, kromgetrokken ruggetje met takjes van armen, klauwen, waarop de aderen als blauwe wormen kronkelen, stevig geklemd om de handvatten van een rollator die aan weerszijden minstens tien centimeter breder is dan het lijfje. Blote voeten in scheefgelopen croc’s, eeltige hielen vol kloven, enkels die zwemmen in het vocht. Het doorgestikte jasje naar de laatste mode, dat wel, maar het plooit lelijk om het ruggetje. Schaarse haren keurig over een verder kale schedel gekamd. Het rimpelmondje roze geverfd. Ik zie u denken: Waarom tut zo’n vrouwtje zich op. Ze is dood.
Uw lopen is bijna in rennen overgegaan. U wilt vluchten, weg van de lelijke ouderdom, de traagheid, van het afschrikwekkende voorbeeld van de verkeerde kant van het leven. En terwijl u daar loopt, begint zoals wel vaker de laatste tijd, de twijfel of er naast de verkeerde kant van een trui – de binnenste buitenkant – wel een verkeerde kant bestaat.
U sprint het trottoir af en wordt bijna aangereden door een vroege veertiger op de fiets met een kinderzitje aan het stuur. De man knijpt overdreven hard in zijn remmen, lacht flirterig, doet alsof hij geweldig geschrokken is. U glimlacht en kijkt steels naar het kinderzitje voorop de fiets. De man roept nog iets, u grapt terug. Een leeg kinderstoeltje, het is maar een leeg fietsstoeltje maar het voelt als een levenslijn. Zo deden mensen. Zo deden mensen toch? Lachen, grapjes maken, iets tegen elkaar zeggen.
Ik leun zwaar op mijn steigers en roep naar u: ‘Dag mevrouw. Ik ben Evelyn Goudsmit.’ U hoort mij niet. U haast zich al verder naar de overkant.
Ik kijk de fietsende man op de rug, zijn schouders nog hoog opgetrokken van plezier. Achterop de bagagedrager zit een jongetje met krulletjes in een plastic fietsstoeltje. Het jongetje houdt zijn speelgoedvarkentje omhoog naar mij. Ik knik goedkeurend. Je hebt een mooi Knorretje, vent. Tevreden drukt het jongetje het vuil roze knuffeltje tegen zijn neus en legt zijn hoofd tegen zijn vaders rug.

 

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail