Variaties op een thema – kort verhaal

(foto: Zoom.nl, Rianne26)

‘Als je de woorden kunt opschrijven, ben je een dichter,’ zei je. ‘Als je leert schrijven, Szymon Nicolae, dan kunnen anderen je verzen lezen en zingen. Je kunt ze verkopen, meer geld verdienen en een wagen kopen. Misschien zelfs een huis. Je ogen kregen de kleur van de zee, toen het zonlicht even door het bladerdak brak.
Ik tikte op het schermpje van je telefoon. ‘Als jij leert kijken, Martin, echt kijken, dan kun jij ook een dichter worden en zingen bij je muziek.’
Je lach schalde door het park. ‘Hoe kan ik zingen bij mijn muziek, Nico. Ik speel saxofoon.’
Je vond me zo dom.

Maar ineens was daar jouw trui, keurig opgevouwen op mijn bank in het park. Ik trok hem aan over mijn hemd. Later hing het fluwelen jasje over de rugleuning. Mijn haar liet je kort knippen met een lange lok op mijn voorhoofd. Jij zorgde er persoonlijk voor dat mijn baard kort en strak binnen de kaaklijn bleef. Je hand gleed langs mijn kin. ‘Je wordt een mooie man, Szymon Nicolae.’ Je zei het keer op keer.
Geduldig leerde je me schrijven in jouw taal. Ik schreef lange rijen woorden. Soms vielen ze samen met de woorden in mijn hoofd en kregen ze een melodie. Ik zong ze zachtjes voor me uit en jij begon te dansen door het park. ‘We worden rijk, Nico.’

Op een dag zei je: ‘Vanavond blijf je bij mij slapen.’ Je ogen lichtten op in de koplampen van een auto die langs het park reed, je mond in een scheve grijns. Je legde je hand in mijn nek. Hij was warm. Al de kou verdween uit mijn lichaam.
Jij was mijn vriend.

Er kwam een laptop. We zaten naast elkaar aan het bureau voor jouw raam. ‘Schrijf ze op, Nico. Schrijf de woorden op.’
Ik typte langzaam. Jij verschoof het bureau naar de muur, zodat ik niet meer over het park kon uitkijken, speurend naar de bank in de beschutting van de rododendrons. Soms wandelde ik door het park en luisterde naar de watervogels in de vijver. Het leek alsof ik doof werd.

Gespannen las je wat ik had getypt. Ik keek naar de hemel. De lucht was van lood. ‘Het wordt bijna winter,’ zei ik.
Je humde en las mijn teksten.
‘Zo leer je nooit echt kijken, Martin.. Jullie Nederlanders krioelen als mieren langs geasfalteerde paadjes, klimmen in betonnen schachten omhoog naar jullie flatjes en dribbelen bedrijvig rond door kamertjes en kantoortjes in jullie stenen landschappen. Ja, als mieren. Jullie hoofden gebogen over beeldschermpjes.’
Je humde en boog je dieper voorover om mijn fouten te verbeteren.
‘We worden rijk, Nico. Je zult het zien en dan kunnen we een echt huis kopen met veel groen erom heen. Wat zal je dan gelukkig zijn.’ Met je telefoon maakte je foto’s van mij in mijn fluwelen jasje.

‘Gisteren was lang,’ zei ik in een radioprogramma, waar een professor iets uitlegde over mijn opmerkelijke poëzie uit een lang verdwenen cultuur. De radioman had daarop mijn microfoon aangezet en gevraagd of ik iets kon vertellen over de geschiedenis, de oude tijd van mijn volk.
Ik staarde naar het boek voor me op tafel. Op de kaft zag ik een foto van mijn mooie hoofd. Elke letter had ik getypt. Elke fout had jij verbeterd.
‘Gisteren was lang,’ herhaalde ik. De man glimlachte toegeeflijk. ‘Kunt u dan iets laten horen uit uw lange gisteren?’
Jij trok me mee naar een soort podiumpje. ‘De dertig seconden die we ingestudeerd hebben, Nico. Niet langer. Ik waarschuw je.’ Je tikte me plagend op de wang. De man stak een duim op. We konden beginnen. Ik zette mijn viool tegen mijn schouder en begon te zingen:
Het water kijkt niet achterom
Het vlucht en stroomt steeds verder weg
Ik volgde de loop van het water terug van de zee naar de bron, door bossen en diepe dalen, over bergen, neerstortend in watervallen. Ik was niet langer doof.
‘Nico!’ Een verre echo. Je sloeg de strijkstok uit mijn handen. Het blauw in je ogen verschoot naar een staalgrijs. De kou kroop heel langzaam in mijn botten. Ik moest bewegen om warm te worden. Ik begon te lopen, de avond in. Een herfstmist hing tussen de bomen. Ik keek niet om, totdat de donkere silhouetten van de rododendrons me omarmden.
Het park is uitgestorven. De lange zomerdagen zijn voorbij. Mijn schrijvende hand klemt zich vast aan zijn langgerekte schaduw, het laatste teken van het seizoen. Af en toe druppelt er verlangen. Met mijn zakdoek dep ik de regendruppels van mijn papier dat ik met stenen in bedwang houd.   In lange slierten fietsen sprieterige jongens en meisjes, kromgebogen onder al hun dertig boeken door het park, nog opgewonden over de nieuwe school die rond de kerst een gevangenis zal blijken te zijn. We zijn er met zijn allen ingetuind.
De avond valt steeds sneller. Opschieten nu. Ik moet me nog wassen, goed wassen met zeep en omkleden, mijn haren een beetje bijknippen en glad kammen met een keurige scheiding. De mensen mogen niet schrikken. Ik kan geen schoon hemd vinden in de zak onder mijn bank, maar mijn fluwelen jasje ontfermt zich over de ergste vlekken.
Ik ren door de smalle straten van de binnenstad naar de rivier. Boven het water staat de mond van de hemel open. Het rommelt diep in zijn keel.
Je staat op de kade. Onder je stroomt de rivier kolkend de stad uit. Je kijkt op, herkenning schiet warm door je blik. Ik wijs naar de hemel waar een zwart wolkje groeit en donder begint te blaffen. Je volgt mijn vinger, knikt en buigt je weer over je telefoon. Een windvlaag tilt je krullen op. Er schemeren grijze haren onder het blond. Ik stem mijn viool en begin te spelen, drentelend over de kade, van je af en naar je toe. Je mondhoeken krullen, maar je zwijgt.
‘Spelen,’ zeg ik. Ik klop op de muziekkoffer op je rug. ‘Spelen.’ Je lacht vluchtig en wijst met je duim over je schouder naar de galerie. ‘Ja, spelen.’
In de verte lopen drie mannen. Ze komen op je af. Je omhelst ze. Jullie praten en lachen en slaan elkaar op de schouder. Ik draai om jullie heen.
‘Martin?’ De dikste van de drie knikt met zijn hoofd in mijn richting. Je haalt je schouders op. ‘O, dat is Szymon Nicolae.’ Je aarzelt even. ‘Dat is Nico, een vriend.’
De dikke man staat breeduit in de weg. Zijn T-shirt kruipt op over zijn buik. ‘Zeg Nico, wanneer sta jij op het programma? Voor of na ons?’ Ik duw mijn viool onder zijn neus en strijk over de snaren. ‘Ik speel.’ Een schriel mannetje schuift zijn ronde bril hoger op zijn neus. ‘Speel jij ook jazz?’
‘Jazz, ja musica. Het leven, de muziek hier binnen.’ Ik bonk op mijn borstkas. De drie mannen klonteren rond jou samen en fluisteren met radde tong, Je blijft je hoofd schudden. Dan kijken jullie alle drie van je schermpje naar de galerie, waar de deur openzwaait. ‘Martin, kerel ben je er al?’ De eigenaar van de galerie loopt voor ons uit naar een kantoortje. ‘Kom binnen, mannen. Hier kunnen jullie inspelen. Zijn jullie er klaar voor? Ik open zo de boel en dan komen jullie. Oké?’ De dikke man wijst naar mij, maar de eigenaar is al weer verdwenen.

Ik open de deur van het kantoortje op een kier. Jurken ruisen, zijden sjaaltjes zwieren mee in de draai van het lichaam, kusjes gaan door de lucht, glazen worden gevuld, hier en daar wat stoelen, de meeste mensen leunen op statafels. De eigenaar praat, de kunstenaar in zijn fluwelen jasje glundert. Na het applaus lopen wij naar voren. ‘Nico’, sis jij. ‘Jij nog niet.’ Ik knik lachend. ‘Ja, spelen.’

Ik strijk de melodie in jullie vlakke ritme. Ik jaag jouw saxofoon op tot een jammerklacht. Je trekt je wenkbrauwen op en schudt geïrriteerd je hoofd. De bassist stopt met spelen en trommelt op zijn klankkast. Ik duik met mijn strijkstok naar zijn snaren en begin een duel met zijn donkere geluid. Je stalen blik vervloeit in een flets blauw. We zweven samen de galerie uit, over de rivier door het onweer. Je lacht. Je bent mijn vriend. Je krullen plakken op je voorhoofd. Het applaus barst los. Je kijkt me verschrikt aan en vergeet te buigen.

Het publiek begint zich al te verspreiden. Sommige mensen drommen rond de kunstenaar in zijn fluwelen jasje. Andere wandelen wat langs de kunstwerken. Ik blaas een stofje uit mijn bakje. Eén ruk en de greep van jouw hand om mijn bovenarm schiet los. Snel loop ik op het publiek af met mijn plastic bakje in mijn uitgestoken hand. Een groepje vrouwen draait zich van me af. Ze kijken om zich heen, hulpzoekend.
Een vrouw met grijze krulletjes stoot haar elleboog in de rug van de man die half van haar afgewend met de kunstenaar staat te praten. De man aarzelt, draait zich naar de eigenaar en roept: ‘Conceptuele kunst, toch? Meesterlijk, Karel, wat een vondst. Dat jasje, dat fluwelen jasje, goed gezien, jongen. Heel geslaagd.’ Hij trekt zijn portemonnee uit zijn binnenzak.
Het is kunst. Opgelucht gefluister vult de zaal. De biljetten stapelen zich op in mijn patatbakje. Met mijn duim houd ik de stapel in bedwang. De munten rinkelen in het vakje voor de mayonaise.

Je springt op als ik het kantoortje inloop. ‘Nico! Dit kan niet.’
‘Ik had het bakje goed gewassen.’
Vermoeid schud je je hoofd. ‘We zijn een programmaonderdeel. Je komt ongevraagd binnen, verstoort ons optreden en gaat als een bedelaar met je bakje rond.’
Je draait je van me af en verdeelt de inhoud van de envelop die de eigenaar je heeft overhandigd.
‘Verstoren, Martin?’ vraag ik. ‘Verstoren?’
De dikke man draait zijn briefje van vijftig euro tussen zijn vingers rond. ‘Verdomme Martin, je moet voortaan meer vragen.’
Je sloft naar de hoek van het kantoor waar je muziekkoffer ligt. Met venijnige rukken haal je de doorhaalwisser door je saxofoon.
Ik loop naar je toe. ‘Je keek, Martin. Ik voelde hoe je keek, echt keek en zag dat de mond van de hemel openstond. De melodie tilde je op zodat je diep in de keel van de hemel het onweer zag groeien en onder je de rivier zag kolken.’
Het loodje van je wisser schiet naast de halsopening van je instrument. Het lukt je niet om het recht te houden. Met één hand leid ik het loodje naar de opening en probeer je blik te vangen.
Dan schuif ik het patatbakje naar je toe. De stapel bankbiljetten valt om. Briefjes van tien, twintig, vijf dwarrelen op de grond. Jij en de mannen kijken er zwijgend naar.
Buiten regent het vette druppels.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail