Brieven aan Agnes – tante Philomena

(foto: WeggUM, Zoom.nl)

Het huis bleef weerstand bieden. Waar ik ook stond en vanuit welke hoek ik ook keek, de kamers wilden maar niet samenvallen met mijn herinneringen aan de zomers hier in de duinen. Alles was scheef en uit verhouding. Tante Fie paste niet langer in de omtrek van het raam.
Ik leunde tegen het aanrechtje en wachtte tot het water kookte. Ik ademde de verschaalde lucht diep in. Toen ik me weer naar het raam draaide, zat tante Fie daar zoals ze altijd zat aan de tafel, het licht op haar doorschijnende huid en haar rechte neus, het lange koperkleurige haar dat ze in een dikke vlecht droeg en dat ze zelf strawberry blond noemde.
’s Avonds waste ze er onder de pomp het zeewater uit, terwijl ik staand op mijn tenen, het water omhoog pompte en het in golven over het zware haar liet stromen. IJskoud was dat water. 
‘Typisch Fie’, zei ma, toen ik het haar na de eerste zomervakantie met tante Fie vertelde.
‘Wat bedoelt u?’ vroeg ik.
‘Fie is gewoon raar, een beetje stiekem, met die bolle ogen van haar.’  
‘Ik ben op mijn bestemming aangekomen.’ Ik zei het hardop als om Fie vast te houden in de omlijsting van het raam. ‘Jarenlang heb ik gezworven en nu ben ik daar waar ik hoor. De enige geschikte plek voor mij.’
‘Why are you hiding?’ vroeg tante Fie. ‘The past, I mean the real past matters less than we pretend.’
Typisch tante Fie, ze strooide met citaten. Het zal me wel een keer te binnen schieten uit welk boek deze zinnen komen.
De wolken braken en fel zonlicht viel door het raam op de tafel, op het nog steeds onbeschreven vel papier dat daar al dagen lag met de pen ernaast. De haren van tante Fie lichtten een moment op en toen verdween haar schaduw.
Na de thee liep ik om het huis en klopte hier en daar op het hout. 
‘Je bent er slecht aan toe, vriend’ zei ik. 
‘Ik heb je verwaarloosd. De jaren hebben aan je gevreten. We zijn er allebei slecht aan toe. We zijn oud geworden, erg oud.’
Ik tilde de schuurmachine van het pad en zette hem tegen de planken van de voorgevel. Het was zwaar werk, maar ik voelde me fit. Elke dag werd ik sterker. We knapten er allebei van op, het huis en ik. Het ging langzaam, maar ik vorderde gestaag. De voordeur stond in de grondverf. De raamkozijnen van het keukentje had ik geel gelakt, zoals in de tijd van tante Fie. Toen vond ik schilderen al een fijn werkje. Dat langzaam streken zetten met een kwast, op en neer, op en neer, heen en weer, op het ritme van de muziek, die uit Fie’s cassetterecorder galmde. 
‘Sing, gal, sing,’ riep tante Fie. Om haar haren had ze een bonte sjaal gebonden, waardoor ze een kleurige toren op haar hoofd had. Met gekromde heksenarmen zong ze mee met Kate Bush. ‘Wuthering, wuthering, wuthering heights.’ Spetters gele verf vlogen in het rond. 
‘When I look at you, Lea, I mean, sing with me, sweetie.’
‘Maar ik ken de woorden niet.’
‘Zing gewoon woorden die je kent,’ riep ze. ‘Holy Christ, Lea, het is niet voor een cijfer.’
En ik zong over een klif en Ketty en mijn wuthering klonk als wonderful, een van de woorden die ik al van haar had opgepikt en over temper, dat wel zoiets als koorts zou zijn, want het leek op de temperatuur, die ma altijd zorgelijk opnam zodra ik drie keer gehoest had. We zongen, dansten en streken de verf met ritmische bewegingen op de raamkozijnen, geel, rood, blauw, wit. Iedere jaar opnieuw want de zeewind vrat aan de verf, voordat hij goed en wel gedroogd was.  Ik was dol op het huis. 
Toen de zon achter de hoge dennen verdween, legde ik de spullen in de schuur. Ik schudde mijn vermoeide armen los en waste mijn handen onder de pomp. Daarna liep ik nog een keer om het huis, trok hier en daar een vliegje uit de nog natte verf, waste weer mijn handen onder de pomp en stapte toen eindelijk naar binnen. Ik ging aan tafel zitten. Met tegenzin begon ik te schrijven om pas te stoppen toen ik door de duisternis mijn eigen handschrift niet meer kon onderscheiden. 

Ik schrijf dit alles aan jou. Ik weet niet wie je bent. Wie is jou? Ik denk dat jij mij bent en dat ik jou of liever gezegd mezelf wil schrijven over dit huis van tante Fie, waar ik iedere zomer vanaf mijn zesde jaar kwam. 
Dit wordt een vreemde, lange brief, vrees ik. Je hoeft hem niet te lezen. Je mag hem ook verbranden. Later.

****
‘Excentriek’ Ja dat was het woord, dat ma gebruikte als het over tante Fie ging. Achteraf vraag ik me af waarom ze het goed vond dat ik de zomers hier bij Fie doorbracht. De gezonde zeelucht was vast ma’s argument, maar ik weet zeker dat ze me gewoon kwijt wilde in de zomervakantie. Ik liep haar voor de voeten. Dat zei ze nooit, maar ik merkte het aan alles, aan het korzelig opzij duwen als ik in de keuken een boterham voor mezelf maakte, aan de zucht als ze zag dat ik nog in bed lag te lezen, aan haar ‘goedenavond dame’ als ik om negen uur ’s ochtends met verwarde haren beneden kwam. Ik zie ma nog staan in het portiek van ons nieuwbouwhuis, jasschort over haar jurk. ‘Ik heb nooit vakantie,’ zei ze. Ze lachte hard, maar haar stem had iets verongelijkts.
‘There we go, sweetie,’ riep tante Fie opgetogen en we hobbelden de straat uit in haar knaloranje, lelijke eend. Ma zwaaide ons na met haar stofdoek. Eens in de week fietsten tante Fie en ik op de twee oude fietsen die we bij de boer hadden gekocht naar het dorp en daar belde ik in een telefooncel naar huis. Ik vertelde over het zwemmen in zee, schilderijen maken op het strand met schelpen, wrakhout en zeewier. Over appeltaart, ijsjes en het schilderen van het huisje. Ma praatte over bedden luchten en de buitenboel en vroeg of ik tante Fie wel hielp met de afwas. Toen ik ma een keer tegemoet wilde komen door haar te vertellen hoe goed we ons iedere dag wasten onder de pomp, toonde ze meer interesse dan anders. ‘Hoe gaat dat dan precies in het werk? Toch niet tegelijkertijd mag ik hopen.’  Instinctief verzweeg ik de details over ons wasritueel. Dat tante Fie de halve dag in haar blootje rondliep, had ma vast weer erg typisch en vooral zondig gevonden. 
‘Fie is nog katholiek ook, het arme schaap,’ had ma ooit gezegd. ‘En leer dit van mij Lea, twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Ik stelde me voor hoe er een lief knuffelduiveltje tussen oom Gerben en tante Fie in lag. Maar dat was niet wat ma bedoelde. Fie was de duivel zelf.
Voor mij was Fie een sprookjesprinses met haar lange haar in vlechten op haar rug en ogen in de kleur van de oceaan waaraan ze geboren was: soms grijs, soms azuurblauw, soms flessengroen. Toen ik voor het eerst op ma’s verjaardag op mocht blijven, kroop ik naast haar op de bank. ‘Hi sweetie, you must be Lea’, zei Fie en ze sloeg een arm om me heen. Ik snoof haar zoete geur op. Ma bette haar hals met 4711. Dat was al beter dan de scherpe Boldoot van oma, maar tante Phi gebruikte echte parfum.
‘Ik ben Philomena.’
Maar dat was allemaal dikdoenerij. ‘Een aanstellerigere naam, Philomena, we noemen haar gewoon Fie,’ zei ma. ‘Veel beter toch, Lea?’ Ma lachte lief naar Philomena en hield haar de schaal met roomsoezen voor.  Fie was alleen gekomen. Oom Gerben fietste ergens in Azië rond. 
En Pa zei weer: ‘Volgens mij heeft Gerben een lekke band.’ Hij was de enige die om zijn eigen grap kon blijven lachen. 
Een paar maanden later zei ma: ‘Gerben is God zelf geworden, geloof ik.’ Ze haalde een brief uit haar jasschort. Gerben woonde met een Indonesische vrouw op Bali en runde daar een centrum voor yoga en meditatie. Dat was ook erg zondig vond ma, maar het bleef wel haar broer natuurlijk. 
Tante Fie bleef ze trouw uitnodigen voor verjaardagen en jubilea. Ze had niks met die excentrieke vrouw, maar het is wel je christenplicht nietwaar. Dat arme schaap komt uit zo’n achterlijk dorp ergens in Schotland of Ierland en spreekt geen woord Nederlands. Zo’n meisje kan zich natuurlijk niet redden in haar eentje in Rotterdam. ‘Nee, zo’n kind moet je helpen.’

Fie bleek allesbehalve een arm schaap. Ze sprak Nederlands met een licht accent, maar dat deden we allemaal. Ze begon Engelse les te geven en al snel verdiende ze genoeg om voor zichzelf een flatje in het havengebied te huren.
‘You know, Lea,’ zei tante Fie. ‘Ik heb altijd geweten dat Gerben me zou verlaten.’ Tante Fie en ik zaten hierbuiten op het terras voor het huisje in het laatste streepje zon toen ze vertelde hoe ongedurig Gerben was. Hij wilde steeds iets anders. In een opwelling had hij dit huisje in de duinen gekocht, maar na een zomer was hij het alweer zat. Fie herkende de signalen. Op een maartse zondag hadden zij en Gerben langs de Maas gewandeld. ‘Blijf je,’ had ze hem gevraagd. Toen hij had geknikt, bijna afwezig, had Fie geweten dat hij zou vertrekken, dat hij haar alleen zou laten. Het was haar lot. ‘Het is ieders lot.’
Fie zweeg en draaide zich naar me toe. Het laatste zonlicht streek over haar ogen. Ze keek dwars door me heen, zoals ze wel vaker deed, alsof ze in mijn hoofd wilde controleren of ik begrepen had wat ze wilde zeggen. Ik had geen idee waar ze naar toe wilde. 
‘We stonden op de kade, Gerben en ik en ik dacht aan de boot zo hoog als een flatgebouw, waarop ik een jaar of zeven geleden de haven van Rotterdam was binnengevaren. Ik was nog een kind. Op mijn vijftiende had ik Gerben ontmoet toen hij door Ierland fietste. De volgende zomer kwam hij weer en toen ik achttien was vroeg hij me naar Nederland te komen. Ik liet iedereen achter en ging.’ 
Fie stopte met praten. Ik keek naar haar profiel in het late zonlicht. ‘Mijn ouders, mijn vriendinnen,’ ging Fie verder. ‘Iedereen liet ik achter. Het is ons lot. Het is wat ons mensen in ons leven steeds opnieuw overkomt. We leren mensen kennen, van ze te houden om ze uiteindelijk te verlaten. We zijn voorbestemd om elkaar achter te laten, want we sterven, we veranderen, we groeien uit elkaar.’
‘We change. It’s most change, sweetie. Change.’ Fie herhaalde de woorden met nadruk als om me te waarschuwen. Ze zou het er vaker over hebben tot ik uiteindelijk zou begrijpen wat ze bedoelde. Later veel later. 
We zaten nog een tijdje zwijgend op het terras, ons gezicht geheven naar de zon tot de laatste stralen achter de duinen verdwenen. 
Fie stond op. ‘Het is een boek.’
‘Wat?’
‘Je bent nog te jong. Ik laat het je lezen als je zestien bent. It is a good book, but a bit…it’s banned in Ireland.’ Daarin stond dat allemaal over iemand verlaten, maar ook over iets van jezelf in de ander achterlaten. Ik begreep er niets van, maar ik kon er niet overheen lezen toen ik het boek eindelijk mocht lezen. Fie had het onderstreept.

Fie kende geen wrok. Ze verweet oom Gerben niks. Ze was hem dankbaar dat hij haar had helpen ontsnappen uit de benauwde Ierse dorpsgemeenschap daar aan de Westkust. 
Toen ze voor het eerst in Rotterdam aankwam, had ze nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Het overweldigde haar, maar tegelijkertijd wist ze dat ze dat ze altijd in die drukke stad wilde zijn. Voortaan verlangde ze naar menigten, naar lichten en neonreclames, naar tingelende trams en voortschuifelen tussen natte winterjassen. Eén zijn met de menigte als ze er ook maar uit kon. Want er was ook altijd de onrust en de melancholie: regen op de leistenen daken van de witte en pastelkleurige huizen, rechthoeken met driehoeken erop als daken, zoals een kind ze tekent; rokende schoorstenen, het verre geloei van een koe, het gesop door het natte hobbelige veen, de heuvels bespikkeld met schapen en altijd de oceaan. De zee soms blauw als aan de Cote d’azur en soms geheel aan het oog onttrokken door regensluiers. Als tante Fie daarover vertelde, dan schoot haar Nederlands te kort. De schaduwen van de wolken op de berghellingen, de regenboog, die als een raon datha, een waaier van kleur in de oksel van de heuvel lag. ‘Dat zoiets kan bestaan, Lea, zoiets overweldigends. Het komt en gaat en als je niet naar de heuvel gekeken hebt op precies dat moment, ja dan is het er wel, maar ook niet geweest. You know what I mean.’
En de schuimkopjes aan de voet van de klif aan de overkant van de baai. De met geel mos begroeide betonnen palen met gaten voor het schrikdraad als omheining voor de cattle. De koeien gingen toch hun eigen weg, net als gekke Breda. Crazy Breda liep. Ze liep de hele dag langs de lange weg naar de baai en weer terug. Op en neer, een schouder laag, hoofd scheef gezakt, de arm lam bungelend langs haar lijf, op en neer in oud T-shirt in wind, zon en regen. ‘Is Breda echt een stad in Nederland en geen meisjesnaam?’ vroeg ze.
Fie kende geen wrok. Ze hield van Mees vanaf het moment dat ik hem, verlegen nog meetrok het zandpad op naar haar huisje. Met een gul gebaar woelde ze door zijn krullen en zei met een knipoog naar mij dat hij gorgeous was. 
‘Teach him romance, Lea,’ riep ze vanaf haar duin toen Mees en ik aan het einde van de middag wegfietsten. Op onze bruiloft danste ze in trance, haar armen boven haar hoofd, haren los op haar rug, haar heupen soepel wiegend, haar voeten bloot onder haar lange golvende jurk. ‘Sign your name across my heart’, zong ze met dichte ogen.
Mees was het roerend eens met ma. Fie was excentriek, onberekenbaar en vooral onbetamelijk, zoals ze zich op onze bruiloft had gedragen of zoals ze lesgaf, zittend op haar bureau voor de groep leerlingen, terwijl ze met haar handen over haar dijen streek als ze geconcentreerd en in vervoering vertelde over het ritme in de taal van James Joyce.  
En later was ze dol op kleine Daaf, die op zijn hoede bleef in de buurt van Fie, maar dat was niets nieuws. Daaf was altijd op zijn hoede. 
Nee, Fie kende geen wrok. We groeiden uit elkaar, we veranderden. Ik erfde haar huisje in de duinen, een afscheidscadeautje van Gerben. Ik kreeg een deel van haarzelf, van haar boeken, haar overdenkingen. 
Ze keurde mij af, later, alles wat ik deed, keurde ze af, maar ze zei er maar een keer iets van. Niet in het Nederlands. Ze kende geen verwijten in het Nederlands. 
‘You live in a fairy tale, Lea. Leave the child alone. Please let him be.’

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail