Wachten op Mitch – kort verhaal

(foto van Footo – fotograaf Lichthart)
Het was november. Dat weet ze zeker, omdat ze tegen de jongen naast haar had willen zeggen: zie je hoe verbazingwekkend wit de novemberhemel is? In het speeltuintje tegenover hun bankje stond een meisje in een wijd felroze rokje hooghartig toe te kijken hoe haar opa met zijn korte, dikke lijf de schommel moeizaam in beweging kreeg.
Kijk, had ze tegen de jongen willen zeggen, de maillot van het meisje is wit, wit als de muts van opa, wit als de hemel, een kleurloze herfst die al bijna winter is, maar het leek alsof de jongen nergens oog voor had; niet voor haar rollator of de bruine vlekken op haar handen. Of misschien had hij juist oog voor alles. Hij kwam als vanzelfsprekend, stil en wit naast haar zitten.
Hij draaide een sigaret en ineens had ze zitten bietsen net als vroeger op school: ‘Kun je er voor mij ook één draaien?’
Hij had van die lange, behendige vingers. Ze kon haar ogen er niet vanaf houden.
‘Voordat ik stopte met roken, draaide ik mijn eigen sjekkies,’ had ze gezegd. ‘Uit een wit pakje. Winner heette het, geloof ik, maar dat merk zie je de laatste tijd niet meer.’
Ze hadden wat gepraat. Hij kwam van het station, dat achter het park lag. Hij heette Mitch en zat in Rotterdam op school. Iets met horeca. ‘Niet dat je daar een opleiding voor nodig hebt, maar je moet wat, voor de studiefinanciering en het gratis openbaar vervoer.’ Toen had ze voor het eerst zijn typische grinniklach gehoord. Daarna hadden ze zwijgend zitten roken. Hij rookte traag. Zijn arm schuurde zachtjes langs haar mouw bij ieder trekje.
Alles aan Mitch was vanzelfsprekend. Zoals hij ineens naast haar zat in het park en zoals hij daarna dagelijks haar sigaretten draaide uit de pakjes shag, die zij voortaan betaalde, want ze kon niet blijven bietsen. Net zo vanzelfsprekend was het dat zij hem geld gaf voor een retourtje Rotterdam toen hij zijn OV-kaart was vergeten. En even vanzelfsprekend begon zìj te praten over dingen die ze nooit aan iemand vertelde. Mitch luisterde, inhaleerde zwijgend, hield de rook lang vast en blies hem langzaam uit met zijn hoofd in zijn nek, een rookoffer voor de hemel. Ze keek naar zijn profiel met de puntige adamsappel, zoals die zich scherp aftekende tegen de ijsblauwe lucht. Een Griekse god.
Ze praatte over haar zoon Leo, die nooit meer in het park kwam en alleen maar werkte en over hoe ze Elske miste, nu haar kleindochter te oud was voor de kinderboerderij in het park en nooit meer rond wilde springen in de fontein zoals ze vroeger samen deden.
‘Dat springen zit er voor mij natuurlijk ook niet meer in met dit versleten lijf.’ Mitch had gegrinnikt, haar op haar wang gezoend ‘O Nonni, y’re so sweet.’ Mitch kamde met zijn vingers haar grijze haren naar achteren en hield ze keurend samen in een staartje. ‘Nice.’
‘Moni. Ik heet Moni.’
Mitch lachte. ‘Altijd beter weten, jij.’
Soms praatten ze over alles wat ze nog wilden. Over landen die ze gingen bezoeken, alsof zij ook nog een toekomst had net als Mitch.
‘Ik hoef eigenlijk niet meer zo ver, Mitch. Naar de zee. Ja, daar zou ik nog weleens naar toe willen.’
Hij had ernstig geknikt. ‘Als ik nou een scooter had, dan zou ik je ernaar toe rijden.’ Hij liet een foto van een scooter zien op zijn mobiel. ‘Daar spaar ik voor.’
‘Mintgroen? Is dat niet een meisjeskleur?’
‘Het is een tweedehandse. Sparen voor een nieuwe duurt te lang, zeker met deze rente’
Ze had een briefje van twintig uit haar portemonnee getrokken. ‘Hier voor je spaarpot.’
Mitch maakte foto’s van haar opgestoken haren met zijn telefoon. ‘Nice, Nonni, je nieuwe look.’
Op een keer had ze zijn hand gepakt en lang vastgehouden. ‘Ik zou wel zo’n smartphone willen kopen.’ Zijn duim was onder het leer van haar handschoen gegleden en had een tijdje haar handpalm gestreeld.
Toen was het al kerst geweest, want ze weet nog dat ze op eerste kerstdag, toen Leo en Elske bij haar kwamen eten, over een smartphone was begonnen. Leo was beledigd geweest. ‘Ma, ik heb je net mijn oude Nokia gegeven. Daar kun je toch mee bellen? Wat moet jij nu ineens met een smartphone?’

De laatste keer dat ze Mitch gezien heeft, is zo’n dag of tien geleden. Het was de eerste zondag in mei, een half jaar na hun eerste ontmoeting. De lente was plotseling zomers bovenop de almaar aanhoudende winter gesprongen. Ze parkeerde haar rollator in het open stukje aan de rand van het park, grenzend aan de parkeerplaats achter het station. Ze ging op het plankje tussen de handvaten zitten, appte Mitch en wachtte. Na tien minuten kwam Mitch diagonaal over de parkeerplaats aan rijden.
‘What’s up, Nonni?’
Toen hij zo tegenover haar zat op het zadel van hun scooter en niet naast haar op een bankje, was het ineens niet zo vanzelfsprekend meer wat ze hem wilde vragen.
‘Jij ook?’ Mitch hield een pakje shag omhoog.
‘Ja, doe maar.’ Ze keek toe hoe zijn lange vingers een sigaret rolden, terwijl hij met twee voeten aan de grond de scooter in balans hield. Er zat vuil onder zijn nagels. Uit de achterzak van zijn spijkerbroek haalde hij een klein plastic zakje. ‘Jij ook? Of samen één delen?’
Ze schudde haar hoofd.
‘White widow, Nonni. Het is goeie white widow.’
‘Waarom noem je me nooit Moni? Het is Moni, dat weet je toch?’
Hij grinnikte. ‘Hoe heet je eigenlijk echt? Monica of Monique of zo?’
‘Nee, gewoon Moni.’
Hij gaf haar een losjes gedraaide sigaret. ‘Mitch is van Mitchel. Moni komt toch ook ergens van? Moni alleen is niks.’
‘Moni is van Moni,’ zei ze kort.
‘ Oh, je bent pissed. Voor mij ben je gewoon Nonni. Zo noemde ik mijn oma ook.’
Ze had diep geïnhaleerd. Waarom ging hij nu een joint roken? En waarom de naam van zijn oma? Hoe kwam hij erbij? Hij had ook niks over haar bleekblauwe ogen gezegd. Hij zag niet eens dat ze haar bril niet op had. Ze trok een sliertje shag los dat scherp op haar tong brandde.
Mitch hield grinnikend de joint voor haar mond. ‘Eén trekje, Nonni. Special treat, white widow voor een white widow.’
Een paar maanden geleden had hij nog niet eens geweten wat het betekende als je twee gladde, gouden ringen aan dezelfde vinger droeg.
‘Mijn trouwring en die van mijn man,’ had ze gezegd.
‘Je man?
‘Hij is dood.’
Ze sloeg zijn hand met de joint weg. Het goud van het frame van haar Iphone flikkerde in de zon.
‘Niiiiice.’ Mitch pakte het apparaatje uit haar hand. Zijn duim gleed over het scherm. ‘Niiiice,’ Hij lurkte aan de joint in zijn rechterhand. ‘Je hebt foto’s gemaakt. Good.for.you.’ Door de gouden spikkeltjes in zijn ogen leek het alsof hij voortdurend lachte.
‘Eenden in de vijver, een zwaan op zijn nest. Wow, wow, wow, wie is dat? She is hot. Wie is dat, Nonni?
‘Ze is twaalf, Mitch.’ Van Elske moest hij afblijven. Mitch tikte op het schermpje. ‘Alles all right? Doet-ie het goed?’
‘Prima, nogmaals hartelijk dank voor je hulp.’
Ze had spijt van het gouden frame. Ze vond het er toch een beetje ordinair uitzien toen ze het apparaatje uit het doosje pakte.
‘Ik had toch gezegd dat je echt goud moest nemen. 24 karaats.’ Zijn lippen sloten zich traag om de lange sigaret.
‘Kom, we maken een selfie. Hier. Nonnie, wake up, een selfie van ons samen.’
‘Een selfie?’
‘ Yeah, come on.’ Hij trok de scooter op de standaard en hurkte naast haar neer, zijn donkerblonde krullen kriebelden langs haar oor, daar waar ze haar bleke haar omhoog had gekamd en net als vroeger met een speld vastgezet.
‘Doe jij maar, ik heb mijn bril niet op.’
Hij hield het apparaatje op armlengte afstand, ze keken en lachten. Hij strekte zich op, liep een eindje het park achter haar in en nam een foto van haar op haar plankje tussen het ijle groen, stak zijn duim naar haar op en wandelde verder het paadje af. Ze vermorzelde haar peuk onder haar schoenzool.
‘Nonni! Hee deaf one.’
Mitch stond tussen de rododendrons, zijn schouders en gezicht omgeven door bloemknoppen die op barsten stonden. Hij nam een foto van zichzelf. ‘Voor op je nachtkastje,’ riep hij. Het goud van haar Iphone flitste langs het donkere, bijna zwarte groen van de heesters. Zijn lach schalde langs de bomen.
Plotseling was hij achter haar opgedoken en had met zijn sterke armen haar hals omklemd. Ze was bijna achterover gevallen.
‘Je zit hier gevaarlijk, Nonni. Zo met je rug naar het park. Weet je dat hier dangerous creeps rondhangen? Ik had zo je hals kunnen doorsnijden en je tasje mee kunnen pikken. Gone, het park in. Vanished.’
Ze hield hem vast bij de pols. ‘Zou jij dat doen, Mitch?’
‘Nice, toch?’ Hij liet haar de foto’s zien, die hij met haar telefoon gemaakt had.
‘Waarom moest ik nou zo snel komen, Nonni? What’s up?’
Ze had de juiste woorden niet kunnen vinden, terwijl ze in haar tas naar haar portemonnee zocht.

Er valt vuilgeel licht door haar raam naar binnen. Er zit regen in de lucht, misschien wel onweer. Donkergrijze wolken stapelen zich op in de bleke hemel. De verre kruinen van de bomen in het park buigen onder de aantrekkende wind. Ze drukt zich aan de vensterbank omhoog op haar tenen, maar kan vanaf zes hoog de parkeerplaats net niet zien. Leo zal al lang beneden zijn en in de auto zitten. Hij parkeert hem altijd dichtbij bij de ingang van haar flat, desnoods op de stoep.

Leo wilde feiten. ‘Je hebt geen been om op te staan, ma,’ zei hij.
Het gaat haar niet om feiten. Het gaat haar niet om gelijk krijgen. Voor haar is de terugkeer van Mitch een soort zintuigelijke zekerheid, iets wat ze diep van binnen weet, iets wat ze aanvoelt vanuit ja, misschien vanuit levenservaring.
‘Je bent gek, ma. Je moet niet langer wachten,’ zei hij.
‘Geduld is echt iets anders dan gekte, jongen. Als je op iemand wacht die niet terugkomt, dan ben je gek, maar als je op iemand wacht die veel te doen heeft en misschien van ver moet komen, dan ben je geduldig, maar dat woord schijn je niet meer te kennen.’
‘Het is toch niet geloven.’ Leo draaide rondjes om haar salontafel.
‘Ma, je weet hoe ik over dat park denk. Het heeft een slechte reputatie, zeker dat pad dat grenst aan de parkeerplaats. Dat is een rafelrand.’
Leo wist dat van twitter. Hij had erop los getwitterd over dichte begroeiing, donkere paadjes onder bomen, struiken langs de vijver. Leo droeg zijn meningen volgens de laatste mode. Het zou goed zijn als die jongen wat vaker buiten kwam.
‘En uitgerekend daar in dat park, geef jij je bankpas aan de eerste de beste knul. Je bent knettergek.’
‘Geduld, Leo. Hij zal het druk hebben. De schoolexamens zijn begonnen.’
‘Wie geeft er nou zijn bankpas aan een wildvreemde gozer? Eerst moest er een Iphone komen. Wat wilde je nu weer hebben? Een MacBook soms?’
‘Ik heb hem gekwetst, denk ik. Ik heb hem iets gevraagd wat hij niet kan geven.’
‘Ma! Die Mitch of hoe hij ook heten mag, die komt nooit meer terug.’
Leo draaide zich weg van het raam. De aderen in zijn hals waren gezwollen. Hij snoof een paar keer diep.
‘Je rookt toch niet weer, ma?’
‘Ik heb geen sigaretten in huis, jongen.’
‘Er hangt zo’n shaglucht om je heen de laatste tijd.’
Toen hij naar de voordeur liep, had hij haar een briefje in de hand gedrukt. ‘Ik ga nu boodschappen voor je doen. Ik schiet het wel even voor, maar als ik straks terugkom, dan heb je dit nummer gebeld en je rekening geblokkeerd.’

Ze had naar zijn wegstervende voetstappen geluisterd, het knarsen van de scharnieren van de tochtdeuren op de gang en het verre belletje van de lift. Vanaf het moment dat hij zich wegdraaide van het raam had hij haar niet één keer aangekeken.
De hemel is inmiddels inktzwart. Ze knipt de schemerlamp aan en pakt haar Iphone. Ze bladert door de foto’s van de rododendrons, van haar en Mitch en de selfies die hij met haar mobiel heeft gemaakt van hen samen en van zichzelf. Met duim en wijsvinger haalt ze zijn gezicht op het schermpje naar zich toe. Zijn ogen staan ontspannen, niet die waakzame uilenblik, die hij soms heeft met irissen die plotseling donker kleuren rond grote, ronde pupillen. Ze beweegt haar vingers over het scherm tot ze zijn gespikkelde ogen bijna niet meer kan onderscheiden en hij verdwijnt tussen de rododendrons en ze haalt het beeld weer naar zich toe en beweegt het weer van zich af. Mitch komt en gaat. Zij blijft en wacht. Dat is het. Dat is hun ritueel. Soms vindt ze hem in het park en soms vindt ze hem niet. Toeval. Mitch houdt van het toeval. Ze speelden een spel, zij en Mitch. Verstoppertje. Mitch hield zich schuil in het park en zij wandelde tot ze hem zag. Ze wandelde lang, omdat ze hem zo graag wilde vinden, erg lang. ‘Nice toch zo, Nonnie? Waarom het anders doen?’ zou Mitch zeggen als hij hier in haar kamer zou zitten.
Ze leest het berichtje dat ze op die eerste zondag in mei aan hem had gestuurd. Met een paar woorden had ze een einde gemaakt aan het toeval.
Met haar rechter wijsvinger begint ze een nieuw bericht. Ze kon altijd zo snel typen, met tien vingers. The quick brown fox jumps over the lazy dog. Het moet geen brief worden, dat weet ze wel. Ze begint opnieuw. Het is belangrijk dat ze de juiste woorden kiest. Geen afspraken en geen opdrachten deze keer, alleen een bevestiging van wat was. Er bestaan geen vriendschappen zonder ongeschreven regels.
Mitch zal komen en zij zal in het park rondwandelen en wachten. Wachten tot ze een keer naar zee zullen gaan. Hij zal de nieuwe helm voor haar kopen en haar achter op hun scooter helpen, die ze samen hebben  gespaard. Dat hoeft ze niet met hem af te spreken. Op een dag zal hij haar komen halen, want zo is Mitch.
Terwijl ze traag een berichtje typt, rolt de donder over het park.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail