Stranden – toneelmonoloog

Stranden is diverse malen opgevoerd, o.a. tijdens het monologenfestival in Rotterdam in 2010. Nu drastisch ingekort en herschreven. Stranden verschijnt in maart 2017 in het lentenummer van Gierik/Nieuw Vlaams tijdschrift

Een vrouw scharrelt rond in de kamer van een vervallen, houten vakantiehuisje in een verlaten duingebied. Ze praat in zichzelf. Soms valt ze stil en zit ze een tijdje op een stoel in gedachten verzonken.

Haar dood had nog iets ouderwets. Ze gleed tergend langzaam uit het leven met van die grote ogen vol angst en pijn. Mijn oma Petra.
Achteraf bezien is ze jaren bezig geweest om te sterven. Ze schuifelde zijwaarts door lange gangen. Ze brak haar heup, werd geopereerd en overeind gezet. En daar ging ze weer. Haar handen gleden achter haar rug langs de muur. Ze morrelde aan gesloten deuren, op zoek naar haar moeder. Ze was verdomme vijfennegentig. Ik was jong, een meisje nog en als ik oma Petra door de gangen van het verpleeghuis zag strompelen, moedigde ik haar in stilte aan: ‘Ga maar dood hoor oma. Ga dood, ga nou toch gewoon dood!’

Sterven was zo eenvoudig nog niet.

Dood, zij, hij, allemaal, lang geleden.
Ik had ook allang dood willen zijn.

Stormachtige wind op een vroege zomerdag. Ik zie hem weer aan komen lopen hier over het strand. Lang en sterk, de huid nog zo strak en veerkrachtig. Het zand geselde zijn gebruinde kuiten onder zijn afgeknipte spijkerbroek, korreltjes zand kleefden aan zijn lange wimpers. Zijn donkere krullen stonden alle kanten uit.
De zee kwam aanrollen in golven van glas, flessengroen, stevig en onbreekbaar. Er trokken zilveren rillingen door de duinen, van helmsprieten die meegolfden op de wind.
Hij lachte en wees naar de hemel. Hoog boven zijn hoofd buitelden de meeuwen door het blauw. Zelfs de reigers, verder landinwaarts speelden gedrieën met de zwaartekracht.
Hij aarzelde, twijfelde over hoe mij te begroeten. Ik wilde naar hem toevliegen, maar we kwamen nauwelijks vooruit.
Hij lachte, zoals hij lachte toen hij zich volgens afspraak bij me meldde. Ik had zojuist een hoorcollege gegeven en gewacht tot hij zijn ogen naar me opsloeg. Die blik. Die speciale blik. Een prachtige jongen. Geert heette hij. Dat we dezelfde naam hadden, was geen toeval, eerder een aanmoediging. Een geheim teken, zijn naam was mijn naam, Geert.
‘Mag ik er over nadenken?’ vroeg hij.
Dat lachje, die gekrulde lippen… geen kind meer. Natuurlijk zou hij komen.

Hij smeet zijn weekendtas op de veranda en ging met gespreide armen voor het huisje staan. ‘Ik kan het bijna helemaal omarmen.’
‘Ja,’ zei ik. Mijn hand aarzelde boven zijn krullen. Hij dook weg, te vroeg, en diepte een fles wijn op uit zijn tas. ‘De man in de winkel zei dat-ie lekker was.’

Sterven leek plotseling lachwekkend eenvoudig.

Ik had voorzichtig moeten zijn met mijn overpeinzingen over sterven. Om de dood van oma Petra had ik gesmeekt en daarna had het idee van een oproepsysteem zich in me vastgehaakt. Waarom moest de dood voorafgegaan worden door aftakeling, ontluistering en pijn? Waarom was er geen oproepsysteem? Geachte heer/mevrouw, uw tijd zit er op. Het ogenblik om afscheid te nemen van dit leven is aangebroken.
Ik had dit idee voor me moeten houden. Voordat je het weet, stollen gedachten, nemen ze vaste vormen aan en klonteren ze samen met die van anderen tot één gemeenschappelijke gedachtegang. Het hangt in de lucht, zeggen ze dan. Jouw unieke overdenking is plotseling gemeengoed geworden. De uitzondering wordt een trend en de trend is een feit.

Het oproepsysteem is veel te snel ingevoerd. Over de uitvoering en handhaving is zoals gewoonlijk nauwelijks nagedacht. In de beginperiode kreeg je een simpele computeruitdraai met je persoonlijke gegevens en de datum van je levenseinde. Wel altijd veertien dagen van te voren. Twee weken om afscheid te nemen en de dingen te doen die je altijd al hadden willen doen en je leven ordelijk achter je te laten. En dan kwam er een man in het zwart om je in zijn boot mee te nemen naar gene zijde. Zo klassiek!

Mijn God, ik was negenendertig.
En Geert zou komen.
De dood komt zelden gelegen.
Zo’n oproepsysteem is even oneerlijk en willekeurig als het hele leven is. Eigenlijk werkt het alleen goed voor de ander. Voor jou is het niet nodig.
Een systeem wil ontdoken worden. Het net heeft mazen om doorheen te zwemmen.

Dit huisje, onvindbaar, adresloos, verborgen in de eindeloze zandheuvels, ver weg van de stad.
Ik vertrok meteen, dook onder en Geert kwam.
De tijd had geen vat op ons. Onze dagen werden naamloos. De duisternis bracht ons naar bed en het licht wekte ons. Telkens als de zon op kwam, ploegde Geert door het zand naar de zee. Ik keek toe hoe zijn jongensrug langzaam glad werd in het water, de rug van een vis. Ik wachtte tot hij terugkwam en zich op de veranda schudde als een hond, druppels strooide als zilveren belletjes. Hoe hij zich zijwaarts boog, links het water uit zijn oor schudde, rechts boog en dan opsprong en ik zijn zoute lippen proefde.

De vis glom nog in de zee, toen een donkere schaduw rechts vanuit de duinen mijn blikveld binnen gleed.
Ik begreep het meteen. De dood, keurig in het zwart, maar onwennig. De man strompelde door het zand, hevig transpirerend. Hij stak voortdurend zijn wijsvinger tussen zijn hals en het boord van zijn overhemd.
Ik schoot naar binnen, de beschutting van de kamer in.
De man ploegde voort, stapte de schaduw van het huis binnen. Buiten kaatste het zonlicht hard op het witte zand.
‘Geert?’ vroeg hij.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Niet?’
De man bestudeerde zijn computeruitdraai, mijn doodsbericht. Druppels sijpelden langs zijn oren zijn overhemd in. Hij trok een zakdoek uit zijn broekzak en depte zijn voorhoofd.
‘Hier staat: Geert Mackenze, blauw huisje naast duinovergang 111. Dat is toch hier?’ Onzekere blik. Een uitzendkracht. Ik zag achter zijn schichtige ogen zijn instructies één voor één verdampen.
‘Ik ben Geert niet……Hij… hij is buiten’ ‘Hij?’ hijgde de man. ‘Hij? Ik moet een vrouw hebben. Negenendertig jaar.’
‘Een vrouw die Geert heet? En zie ik er uit als negenendertig?’
De man probeerde zich te concentreren op zijn computeruitdraai, maar heimelijk bestudeerde hij mijn lichaam.
‘Nou, nee. Eerder vijfentwintig zou ik zeggen.’
Kom eens zitten.’ Ik liet me achterover op de sofa vallen en klopte op de plek naast me. De man zakte langzaam in de kussens. Hevig transpirerend hing hij tegen me aan en keek onafgebroken in de halsopening van mijn T-shirt.
Vanuit een ooghoek zag ik het donkere silhouet van Geert. Glinsterend naderde hij over het strand. Donkere haarslierten omlijsten zijn gezicht. Ik kon het niet zien, maar ik wist dat er druppels aan de meisjeswimpers plakten. De man duwde zich tegen me aan. Ik probeerde mijn bovenlichaam tussen hem en de deuropening te schuiven. Het papier in de hand van de man scheurde onder mijn gewicht. Gealarmeerd schoot de man overeind. ‘Buiten, zei u?’ Hij trok het boord los van zijn natte nek. ‘Geert is buiten. Toch?’

De man was al door de deuropening verdwenen. Vanuit de schaduw van de kamer staarde ik verlamd naar het door de felle zon verlichte tafereel in de verte: een man in het zwart die een jongen aanspreekt. Een jongen, die knikt. Een zwarte arm om naakte schouders, die een drijfnatte jongen terug naar de zee duwt. Niets deed Geert, helemaal niets.
Het duurde een eeuwigheid voordat ik overeind kwam en begon te rennen: ‘Je hebt de verkeerde, idioot. Amateur! Dit is een jongen, een kind nog!’
Te laat.

Het is zo lang geleden allemaal.

De vrouw wendt zich tot het publiek.
Ik zie u denken. Natuurlijk heb ik dat geprobeerd. Ik heb mezelf gemeld bij het systeem, maar men kende mij niet. Ik bestond niet meer. Gewist uit de lijst der levenden. Ik ben dood. Volgens het systeem is mijn leven geëindigd op die zomerdag in juni, waarop Geert druipend van het zeewater werd weggevoerd door een man in een zwart pak.
Als je dood bent, praten ze niet meer tegen je. Dat heet bureaucratie.

Ja, natuurlijk heb ik dat ook geprobeerd. Ik had eindeloos de tijd om te bungeejumpen… zonder elastiek. Te skydiven …. zonder parachute, te eten ….tot ik ..
Eindeloos de tijd om te praten.

Kunt u nog een kwartiertje blijven?
Het is lang geleden dat ik zoveel bezoek heb gekregen.

En weet u, iemand van u zal met mij willen ruilen. Of liever gezegd met mij moèten ruilen.
Is niemand benieuwd naar de eeuwigheid? Iemand die de dood wil ontlopen en mij in haar of zijn plaats wil laten gaan. Ja, dan ruilen we toch?
U, ja u ziet er uit alsof u de liefde van uw leven heeft ontmoet. Geen reden om snel dood te gaan, toch? U kunt mijn eeuwige leven krijgen. Gratis en voor niks.
Ik zie kersverse vaders en moeders, beginnende carrières, ontluikende liefdes, verdiende rust, geplande wereldreizen.
De dood zou voor u allen ongelegen komen, denkt u niet?

Wie biedt zich aan?

Onderschat het niet. Ik heb het over het eeuwige leven. Eeuwen geleden deden mensen daar al een moord voor. Ik vraag u niet te sterven voor me. Ik bied u het leven. Dat is een kostbaar cadeau.

Niemand?

De vrouw begint heen en weer te schuifelen langs de muren, voelt met haar handen achter zich hoe ze moet gaan. Onafgebroken houdt ze haar ogen gericht op het publiek.

Ja, als niemand zich vrijwillig meldt, dan zal ik straks iemand moeten aanwijzen.
Eén van u zal met me moeten ruilen. U kunt er over nadenken.
Ik kan wachten.
Ik heb de tijd.

 

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwitterlinkedinmail