Jonge Menke (2) – fragment uit Waterscheiding – een roman

(foto: Hélène Desplechin embedded Getty Images)

‘Minstens 200 kilometer op de Deutsche Autobahnen, Menneke. Misschien wel 230.’ Papa Mees lachte triomfantelijk. ‘Ik heb gescheurd en nu ben ik al bij je. Wat vind je ervan?’
Menke staarde naar zijn gympen. Zijn voeten waren belachelijk groot. Bijna alle steentjes van opa’s grindpaadje verdwenen onder zijn zolen. Dat had mama natuurlijk ook dwars gezeten, die belachelijk grote voeten van hem.’
De latten van het tuinbankje voor het voorraam bogen ver door toen papa Mees zich erop liet zakken. In de donkerte van de achterkamer deden opa en oma alsof ze hem en papa niet zagen in de voortuin.
Minstens 200 kilometer per uur en verder zei papa Mees geen woord. Geen woord over de zakenreis die hij had moeten onderbreken. Geen woord over de ruzie met mama op Schiphol en Menke’s eenzame rit in de taxi naar mama’s lege huis. Geen woord over de vrouw met de blauwe schaduwen in haar gezicht, die de moeder van zijn beste vriend Arend bleek te zijn en naast hem was opgedoken toen hij in de supermarkt melk en chocoladerepen afrekende met het geld uit zijn spaarpot. Terwijl het toch vanaf dat moment echt misgegaan was. De bel had onafgebroken door mama’s lege huis gegalmd. Soms in korte stoten, dan weer als een langgerekte gil. Uiteindelijk had hij de voordeur open moeten doen en was de vrouw langs hem heen gedrongen door de gang naar de woonkamer. Voor de open haard bleef ze staan.
Ze keek hem lang en doordringend aan. ‘Menke?’
‘Ja?’ Zijn stem had toen al raar geklonken, versleten.
‘Waar is Lea? Waar is je moeder?’
Hij moest diep nadenken. Waar was zijn moeder? Waar zou ze zijn? De vrouw stond maar naar hem te kijken. Alles was blauw aan haar. Haar ogen, de kringen onder haar ogen, de schaduwen naast haar neusvleugels, de diepe rimpel boven haar neus, de holtes in haar wangen, het opgestoken haar, het kuiltje onder haar ademsappel. Een blauwe vrouw, een schilderij was ze. Ze leek niet op de moeder van Arend.
‘Menke? Waar is iedereen? Lea, Paul en kleine Stef? Waar is iedereen?’
De laatste vraag had als een dictee geklonken. Elk woord sprak ze traag en met veel nadruk uit, waardoor het vraagteken wegstierf in een klemtoon.
‘Mexico?’
Het blauwe hoofd had zich van hem weggedraaid, de schaduwen verschoven, de ogen gleden schichtig langs de vloer, de meubels en de leeggelepelde blikken op de tafel.
‘Kom,’ zei ze. Haar hand greep zijn pols en trok hem de trap op. Spijkerbroek, T-shirts, onderbroeken, sokken propte ze in haar tas zonder zijn pols los te laten. Ze stoof de trap af en hij volgde haar struikelend het huis uit, de straat over. Pas toen hij naast haar in haar auto zat, liet ze zijn pols los.

Geen woord sprak papa Mees over de blauwe vrouw. Geen woord over Arend die ineens ondersteboven hangend vanaf het bovenste bed naar hem had gekeken. ‘ Hee gozer, eindelijk wakker. Je hebt zowat een week geslapen.’
Niets, alleen die 200 kilometer of misschien wel 230, waarmee hij over de Duitse wegen had gescheurd.
‘En mama?’ Het kwam nooit meer goed met zijn stem.
Papa Mees haalde zijn schouders op en zei alleen: ‘Ach Menneke, laat Lea maar even.’
Ook opa en oma Landje zeiden niets. Iedereen deed alsof het normaal was, dat hij bij hen ging wonen en na de zomervakantie iedere dag 15 kilometer naar school moest fietsen en weer terug.
‘Dat is nog helemaal niet gezegd, Menke’, mopperde papa Mees. ‘Je maakt er alweer een drama van. Deze zomer blijf je bij opa en oma zolang ik in het buitenland ben. Daarna zien we wel weer verder.’
De zomer duurde lang. Oma kocht cornetto ’s die ze op de lange zomeravonden op het bankje voor het dijkhuisje opaten. ‘Die vind je toch lekker?’
Lekker? Lekker, fijn, vet, blij, boos, verdrietig, gaaf. Wat was lekker? Wat betekenden de woorden die oma of Arend gebruikten? Iets was lekker zolang je het maar af en toe at, wist hij nog. Oma dacht daar anders over. Elke avond nam ze gretig grote happen van het ijs, terwijl ze protesteerde: ‘Vanavond is het echt de laatste. Ik word veels te dik.’
Opa hoefde geen ijs. Hij maakte een ommetje over de dijk, keek lang naar de rivier.
‘Kijk nou toch,’ zei oma dan. ‘Je kunt hem uittekenen daar, zoals hij daar staat met zijn handen in zijn zakken. Vroeger stond hij zo op de pont te dromen in de hoop dat het ding mee zou gaan varen in de rij binnenvaartschepen op weg naar Duitsland,’ schamperde oma. ‘Weg, altijd maar wilde hij op reis. We zijn nooit ergens geweest.’
Aan het einde van de zomer logeerde hij een paar dagen bij Arend. Samen haalden ze hun boeken en lesrooster op. Ze zaten in dezelfde klas: 1 E.
‘Voorlopig,’ had hun klassenleraar gezegd. Rond de kerstvakantie gingen ze soms al voorsorteren voor havo of vwo, maar pas aan het einde van het eerste jaar werden de klassen definitief ingedeeld.
‘Je moet gewoon hard werken, Men,’ zei Arend. ‘Dan vergeet je alles een beetje en dan kan je met mij naar het vwo.’
Arend draaide als een bezetene aan de gekleurde vakken van zijn kubus. Overal op het schoolplein liepen kinderen met zo’n kubus. Oma had hem er ook één gegeven. Een middag lang had hij zitten draaien aan de gekleurde blokjes. Het was hem gelukt om een geel en rood zijvlak te krijgen, maar daarna verschoof de hele zooi weer, toen hij werkte aan het groene vlak. Hij rolde het ding onder zijn bed.
‘En, Men, je moet een hobby nemen.’ Arend hield lachend zijn kubus onder zijn neus. Alle zijvlakken waren egaal van kleur: geel, wit, rood, oranje, blauw, groen. ‘Eén minuut vijftig. Een persoonlijk record.’
Papa Mees kwam pas terug toen oma met een somber gezicht voor de televisie zat.
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Mees.
Opa knikte naar het televisiescherm, waar foto’s van een lachende blonde vrouw elkaar afwisselden.
‘Ze is dood’, zei oma. ‘Grace Kelly is dood.’
Papa Mees liet zich in de rieten stoel zakken en keek met oma mee naar het scherm.
‘De zomer is allang voorbij, hoor,’ zei Menke.
Papa Mees knikte. ‘Mooie vrouw was het.’
Opa grinnikte. ‘ Nee niet echt, Menke. De vakantie is voorbij, maar het is nog geen herfst.’
‘Als het kerstvakantie wordt, word ik voorgesorteerd voor de havo.’
De foto’s van Grace van Monaco werden zwart. De televisie sprong met een klapje uit. Ze keken hem alle drie aan.
‘Natuurlijk ga je naar het vwo.’ Het leek wel een koortje.

 

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail