Lea – fragment uit de roman Waterscheiding

(foto embedded Getty Images)

Deze pijn is niet in orde. Ze brengt haar gewicht over op haar rechterbeen en schudt haar linkerbeen voorzichtig los. Het helpt niet. Langzaam wandelt ze heen en weer voor de ramen, haar blik op de duindoornstruiken met oranje bessen aan hun zwarte, kale wintertakken. Dit voelt echt niet goed. Ze kan ze feilloos van elkaar onderscheiden, in-orde-pijn en niet-in-orde pijn. In-orde-pijn is een lange haar strak om een vingertop draaien, zodat er geen bloed meer door kan stromen. In-orde-pijn is een nagelvijl ongemerkt in de beschutting van haar handtas in haar vingertop duwen. In-orde-pijn leidt haar weg van de plek waar het onbehagen begint, vlak achter haar middenrif. Over deze eigengereide actie van haar lichaam heeft ze niets te zeggen, niet over hoe hevig de pijn zal zijn en wanneer hij haar zal overvallen.
Dagelijks.
Ze laat de gerafelde vitrage weer voor de ramen vallen. De ruiten zijn wit uitgeslagen door de zoute regen die over zee komt aanwaaien.
Ze hijst zich in haar jas en hinkt voorzichtig het duinpaadje af tot aan het strandweggetje. Kraaien stijgen eensgezind op uit de duindoorn om een twintigtal meter verderop zacht roddelend samen te klonteren in de kale kruin van de meidoorn. Hun felle oogjes volgen haar spottend. En weer vliegen ze in een wolk op als ze dichterbij komt. Ze willen niets met haar te maken hebben. Uiteindelijk verdwijnen ze luid krassend over verre duintoppen.
Voetje voor voetje klimt ze naar het hoogste duin, waarachter de zee ligt. Bovenaan het pad draait ze zich om naar de weilanden, boerderijen, kale akkertjes in de verte. Zomerhuisjes zijn als door een reuzenhand uitgestrooid over de duinen, de luiken gesloten tegen de zeewind. Over een paar maanden zullen de kinderen hier van het duin naar beneden rollen in een lawine van zand. Hun stemmetjes zullen hoog opklinken, vrolijk, opgewonden.
Menke’s stemmetje klonk altijd bedeesd. ‘Mam, zullen we circusje in de zee spelen? Straks. Straks.’ Zijn schuwe blik op haar frons en haar bezige handen. ‘Straks hoor, mam… als jij klaar bent, hè mam?’ Zacht in een eindeloze herhaling van vragen, die gangetjes groeven in haar bewustzijn, zoals pijn zich opdringt tot je hem niet meer kunt negeren.
Half vallend daalt ze af naar het strand. Uitglijden zou nu heel slecht uitkomen. ‘U moet kleine stapjes nemen,’ heeft de arts gezegd.
De zee is troebel grijs. Een ketting van blauwe kwalletjes siert de vloedlijn.
Een roman. En dat pseudoniem ineens, Liza Harvey, hoe heeft ze dat kunnen bedenken? Lea Graveland klonk plotseling zo oud en versleten, toen ze een paar verhalen aanbood aan een uitgeverij. Fris, jong, hip, dat wilde de uitgever en dat was wat hij zou krijgen, beloofde Liza. Ze zou zich een tijdje terugtrekken aan de zee. Ze had daar nog een vakantiehuisje of nee, Liza’s moeder natuurlijk.
Ze schrijft niet. Ze schuifelt rond. Ze doet niks. Ze doet niet eens waarvoor ze betaald wordt: een lezing over doelmatigheid in organisaties. Leeg. Geen woord, geen lezing, laat staan een roman. Ze heeft haar handen vol om in deze wildernis te overleven, in het houten huisje waar de zilte wind en regen onafgebroken op aanvallen. Nu met dat onwillige been en die niet aflatende pijn…elke dag een half uur werken hooguit.
Het enige wat zich aan haar opdringt is een verhaal dat ze helemaal niet wil vertellen, maar dat Liza Harvey gisteren al opgewonden heeft samengevat voor de uitgever. Het was alsof haar romp openbarstte en er een ander uit haar tevoorschijn kwam, een leugenachtig, vreemd wezen, dat zomaar een synopsis inleverde, zoals in die sciencefiction-serie jaren geleden, waarin de huid van mensen openscheurde en er reptielachtige wezens uit hen tevoorschijn kropen. Menke was eigenlijk nog veel te jong voor die serie. Hij schudde zijn donkere krullen voor zijn ogen en gluurde tussen zijn licht gespreide vingers angstig naar de groen geschubde monsters op het scherm.
‘Menke was te jong.’ Dat moet Mees gezegd hebben. Zij kan dat niet weten.

De zee slaat in halfslachtige golfjes op het zand. Ze blijft staan en tuurt naar de horizon.
Kilometers verderop schuimt het wit van een branding, vechtend op de zandbank die is ontstaan nadat de zeearm is afgesloten door de dam verderop. Ze heeft hem gebouwd zien worden, de dam. Vroeger stonden ze op de kop van het eiland, het uiterste puntje, daar waar de zee het land in stroomde en botste op het water dat uit de zeearm naar buiten wilde, ver weg de zee op, de oceaan. Hoe oud waren ze toen ze over de basaltkeien sprongen, kilometers lang naar het volgende eiland. De dam was nog niet helemaal dicht. Grote ruimtes tussen de keien moesten ze balancerend over planken oversteken. De tocht had uren geduurd en Mees’ zijn grootouders waren mopperend aan het avondeten begonnen. Jong dus. Mees en zij studeerden nog. Avond aan avond had hij met gekruiste benen op de biezen matten in haar studentenkamer gezeten en over het existentialisme gesproken, daarbij houvast zoekend in zijn krullen, die hij boven op zijn hoofd samentrok alsof hij de gedachten met kracht wilde loswrikken uit de warboel.
Op een middag had hij haar overeind getrokken: ‘Kom, ik neem je mee naar de zee, naar mijn opa en oma.’ Links van haar strekt de dam zich uit. Een camper met surfplanken op het dak, glijdt over het wegdek. Naast de dam maakt de zee een nieuw zeetje en land maakt nieuw land. Strandjes en duintjes waaien op, de zee kruipt steeds dichter naar het wegdek toe. Het zal niet lang duren of de dam zal weer opgehoogd moeten worden. De mens verliest het altijd. Haar huisje. De zee vreet aan het hout, het zand kruipt omhoog langs de ramen. De mens verliest het altijd. Verlies is een rotwoord. Een rotwoord, een rotwoord.
Haar voeten zakken weg in het zuigende zand, terwijl ze haar telefoon lang laat overgaan. Zijn geruststellende brom laat op zich wachten. ‘Lea?’
‘Verlies is een rotwoord, Mees.’
‘Weet je wat rot is, Lea, wakker gebeld worden. Ben je vergeten hoe laat het hier is?’
‘Niet ophangen alsjeblieft, sorry. Niet aan gedacht. Sorry. Het is die pijn en mijn werk dat niet vlot. Ik ben te laat. Veel te laat.’
‘Haal je je deadline niet?’ ‘Die lezing schud je toch zo uit je mouw? Heb je niet iets liggen dat je kunt gebruiken?’
‘Met alles, Mees, met alles ben ik veel te laat.’
‘Eén voor één, Lea. Je moet niet alles op één hoop gooien. Daar heb je alleen jezelf mee.’
‘Te laat met alles.’ Ze haalt diep adem: ‘Ik ben al gestorven, voordat ik, voordat ik…’
‘Wat zegt de dokter over de pijn?’
‘Niks bijzonders, het komt uit mijn rug, zegt hij. Daar heb ik het niet over. Ik doe alles zo vreselijk laat in mijn leven. Ik had moeten grijpen wat er was.
Mees grinnikt. ‘Met een kind krijgen was je beslist niet laat.’
Ze kreunt.
‘Dat was gemeen van mij,’ zegt Mees na een poos.
‘Ja.’
Ver op zee, net onder de zandbank, trekt een vissersboot traag zijn netten voort.
‘Je beweegt toch wel, Lea? Wandelen, niet steeds achter die laptop.’
‘Ik ben nu aan het wandelen.’
Voorzichtig trekt ze haar voeten los uit het zuigende zand.
‘Lea?’
‘Ja?’
‘Het gaat toch niet om geld? Je hebt toch geen geld verloren of zo?’
‘Dag Mees.’
‘Het was maar een vraag.’
Ze zwijgt.
Mees kucht aan de andere kant van de lijn. ‘Ik ga nog een uurtje pitten. Ik heb straks een belangrijke vergadering. Zal ik aan het eind van de middag terugbellen?’
Met haar duim drukt ze Mees weg. Ze vervolgt haar weg langs de vloedlijn. Een één potige meeuw hipt voor haar uit. Aan de rand van de duinen laat ze zich in het zachte zand zakken en heft haar gezicht naar de witte zon in de nevel. Ze sluit haar ogen en snuift de lucht op. Kun je de zon ruiken?
Menke’s haartjes roken naar de zon toen zij zich diep vooroverboog over het fietsstoeltje aan haar stuur en zijn schedeltje besnuffelde. Hij dook kraaiend weg voor haar kriebelende neus.
‘Ik ruik de wind, ik ruik … het water,’ riep   ze. ‘Wie als eerste de zee ziet.’
Ze moest kracht zetten om tegen de dam op te rijden. Menke schudde van opwinding heen en weer in het stoeltje. Ze had moeite om haar stuur recht te houden.
‘Water,’ riep hij. Menke had gewonnen.
Lang geleden. Allemaal lang geleden.
Fietsen met uitgestoken tongen. ‘Water, ik proef de regen.’ Een kinderstem mengt zich met de kabbelende golfslag, woorden doorstromen haar, tillen haar op, weg van de pijn. Ze waren ontdekkingsreizigers. Dr. Livingstone noemde ze hem en ze baanden zich een weg tussen de scherpe takken van de duindoorn. Menke voorop, de takken bogen als een koepel boven zijn  hoofd. Op een dag hadden ze in een diepe duinpan, bijna onbereikbaar door de wijdvertakte duindoorn, een vennetje ontdekt. Hun geheim, daar konden ze altijd water vinden als het moest. Dat pad moesten ze onthouden. Ineens is daar de zware stem van Mees: ‘Lea, grow up for Christ’s sake.’
Ze rolt zich op haar zij en probeert overeind te komen. De pijn spat in haar heup uiteen.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail