Agnes – Fragment uit Waterscheiding – roman

AGNES
(foto: Sibylle Bergemann)
Uit: Waterscheiding, een roman.  Fragment


Slikken. Nog een keer. Ze zuigt het speeksel van de binnenkant van haar wangen en slikt. Haar keel is te dik. Het helpt niet, ze denkt alweer aan mama. Zee, denk aan de zee, aan die rare hoe-heten-die-ook-al-weer. Oude mannetjes, noemde Menke ze. Maar het zijn natuurlijk geen oude mannetjes. Het zijn vogels, die eerst een beetje stijf rennen voordat ze opvliegen. ‘Mopperende oude mannetjes,’ zei Menke en toen moest ze nog hard lachen. Iets met aal.. aalschuivers. Ja, aalschuivers. Ze lijken een beetje op de kraai die ze in de tuin vond, maar dan veel groter. Ze verzorgden Joop – zo noemde ze hem – en daarna brachten ze hem samen naar de vogelopvang, mama en zij. Nu denkt ze alweer aan mama.
Mama zegt altijd dat je moet tellen als je niet kunt slapen. Of alle dingen die je in je kamertje ziet, opnoemen. Dan ga je uit je hoofd, zegt mama. Ze vindt dat raar. Alsof een mens in zijn hoofd woont. Alsof een mens zichzelf heeft opgerold van tenen tot nek en zich zo in zijn hoofd heeft gedraaid. Zoals de sokken die mama tot een bolletje rolt voordat ze die in haar la legt.
Dit is niet eens haar kamertje.  Dit is Menke’s kamer. Van vroeger, toen hij nog een jongen was.
Ze ziet haast niks meer. Alles is grijs. ‘Het wordt hier hartstikke donker,’ zei Menke. ‘Geen hand voor ogen.’ Zo zei hij het.  ‘Niet zoals in de stad,’ zei Menke. ‘Daar valt er altijd wel een beetje licht door de gordijnen,  van een lantaarnpaal of van het buitenlicht van de buren of van de flat aan de overkant van de straat.’
Een houten vliegtuigje zwaait aan een draadje boven haar hoofd heen en weer. Op het behang zijn sterren en planeten getekend. Planeten, dat woord kent ze nog niet zo lang. Eigenlijk is een planeet ook een ster aan de hemel, zei mama. Of zoiets. Dat snapt ze niet. Ze vindt het wel een mooi woord, planeet net zoals aalschuiver. Tussen de sterren is een jongetje op het behang getekend.  Heel veel jongetjes eigenlijk, maar steeds hetzelfde.
‘De prins, de kleine prins,’ vertelde Menke vanmiddag. Hij ziet er helemaal niet uit als een prins. Een gek pakje met een wijde broek en een soort strikje om zijn nek. Hij heeft van die grote schrikogen en van dat witte haar dat alle kanten uitstaat. Net zoals bij Pom.
Pats..daar klikt haar keel weer dicht.
Slikken, spuug zuigen en hard slikken. Zou ze om een slokje water durven vragen?
Er is niet veel water. Menke schreeuwde vanmiddag allemaal erge woorden, toen hij de kraan opendraaide. Ze moesten naar de supermarkt om water in flessen te kopen. Menke wil dat niet: met haar naar de supermarkt, terwijl ze toch niks zegt of vraagt. Ook al heeft ze honger en ziet ze allemaal lekkere dingen in de schappen, ze vraagt niks. Menke wil dat zij zich heel stil houdt. ‘Doe maar gewoon, heel gewoon,’ zei hij. Alsof je stilhouden gewoon doen is.
De mevrouw bij de kassa keek heel lang naar haar en vroeg toen aan Menke of ze niet naar school moest.
‘Zieke juf,’ zei Menke snel. Ze zag dat de mevrouw hem niet geloofde.
Als ze kleurpotloden had zou ze de prins een beetje prinselijker maken.
‘Kijk eens wat ik gevonden heb?’
Ze ruikt hem eerder dan ze hem gehoord heeft. Een beetje zee, hoe ruikt de zee eigenlijk? En wijn en natte jassen in de gang op school. Of vergeten wasgoed in de wasmachine, zegt mama.
Een grijze schim is hij. Hij houdt iets omhoog, maar ze kan niet zien wat het is.
‘Een nachtlampje.’ Hij klinkt blij. Dat is goed. Ze hoort een klik in de schemer. Zacht gelig licht kruipt het kamertje in. De prins op het behang heeft een groenig pakje aan met een rood strikje, ziet ze nu.
Menke gaat op het bed zitten. ‘Dat mocht Arend nooit van zijn vader, een nachtlampje,’ zegt Menke. ‘Kun je niet slapen? Zal ik nog een stukje voorlezen over Arend?’
‘Waarom heb je dan toch een nachtlampje als Arend er geen mocht?’ vraagt ze.
‘Ik ben Arend toch niet.’
O ja, dat moet ze niet vergeten. Menke is Arend niet. Menke woelt door haar haren. Er glijdt zand op haar kussen. Voorzichtig gaat hij met zijn wijsvinger over de schrammen op haar gezicht. ‘Zal ik ze nog een keer deppen met water?’
‘Nee dat is zonde van het water’, zegt ze flink. Maar een slokje water… misschien mag dat?’
Menke staat op en komt terug met een bekertje. Ze drinkt het achter elkaar leeg.
‘Morgen gaan we hè?’ vraagt ze. ‘Morgen is hij er wel. Toch?’ Teveel vragen achter elkaar. Ze ziet het aan zijn ogen die bijna zwart worden. Als hij zijn hand uitsteekt naar haar arm en de mouw omhoog wil schuiven, stopt ze haar armen snel  onder de dekens.
Menke loopt zonder nog iets te zeggen de kamer uit. De ogen van de prins op het behang worden groter en groter.
‘Hier. Leg die maar op je zere arm. Dat helpt.’ Menke drukt een schattige pluizige kangoeroe-knuffel in haar armen. In de buidel zit een piepklein kangoeroetje. Hij lacht. Spikkels bruin in zijn zwarte ogen. ‘Zie je het licht van de vuurtoren?’ vraagt hij zacht. ‘Wacht, ik doe het nachtlampje even uit.’ Plotseling is de kamer pikzwart. ‘1, 2, 3 en pauze….’  Zijn stem is ver weg. ‘Iedere vuurtoren heeft zijn eigen ritme. Tel maar mee.’
Een zwak schijnsel veegt even over de dekens. ‘1, 2, 3….en pauze.’
Plotseling vindt ze hen heel allenig. Samen, samen klinken hun stemmen, maar daardoor juist heel alleen alsof ze ieder in een eigen grot zitten.
Het gele licht floept weer aan.  Over zijn wangen lopen nog zwarte sporen. Ze moeten zuinig zijn met het water.

Volg mij
Facebooklinkedinmail
Deel deze tekst:
Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail